Rushdie over verbeelding en verscheurdheid; Zo luidruchtig mogelijk klagen over de wereld

Salman Rushdie: Imaginary Homelands; Essays & Criticism 1981-1990. Uitg. Granta Books, 432 blz. Prijs (f) 52,50

Op het omslag van Imaginary Homelands, het verzamelde journalistieke en essayistische werk van Salman Rushdie, sleept een donkere jongen aan een soort tang een reusachtig blok ijs voort. Het is een illustratie die zo weinig voor de hand ligt bij een bundel artikelen, dat hij wel door de auteur zelf moet zijn uitgekozen. Misschien bedoelt Rushdie de afbeelding als symbolisch voor de vluchtigheid van de journalistiek - het is weg voor je het weet - maar waarschijnlijker is dat hij het de ideale illustratie vond van de onwerkelijke last van de verbeelding die schrijvers een leven lang te dragen hebben, en deze auteur in het bijzonder.

Want als iets deze verzameling samenhang geeft, is het Rushdies pleidooi voor de verbeelding. Over welk onderwerp hij ook schrijft, of het nu Thomas Pynchon of de binnenlandse politiek van India, Gunther Grass of de relatie tussen godsdienst en politiek is, Rushdie benadrukt voortdurend hoe noodzakelijk het is voor de moderne mens om zijn eigen beeld van de realiteit te scheppen. In zijn vorig jaar door Harold Pinter uitgesproken, en ook in deze bundel afgedrukte, lezing 'Is Nothing Sacred?' laat hij de roman zelfs de leemte opvullen die de dood van God heeft achtergelaten. Het is de opdracht van de kunst om vorm te geven aan de transcendentale behoeften van de mens, 'to be, for a secular, materialist culture, some sort of replacement for what the love of god offers in the world of faith.'

Het allesoverheersende belang dat Rushdie aan de kunst hecht, houdt voor hem beslist niet in dat de kunstenaar zich zou moeten terugtrekken in een ivoren toren; integendeel, het is zijn vaste overtuiging dat in de wereld zoals hij nu is, de kunstenaar de politiek niet kan ontlopen. In 1984 (de stukken in Imaginary Homelands zijn niet chronologisch gerangschikt, maar wel gedateerd) pleit hij in het essay 'Outside the Whale' voor een hartstochtelijke betrokkenheid van de schrijver met de wereld om hem heen, waarmee hij en passant het onheil over zichzelf afroept: 'I am recommending the ancient tradition of making as big a fuss, as noisy a complaint about the world as is humanly possible.' Vier jaar later voegde Rushdie met The Satanic Verses de daad bij het woord. Alleen al in de onmenselijkheid van de reacties op die roman ligt de rechtvaardiging van welke lastering of heiligschennis dan ook.

Als metafoor voor de postmoderne kunstenaar ziet Rushdie de migrant, de man of vrouw tussen twee of meer vaderlanden. De migrant heeft de drie fundamentele zekerheden - zijn wortels, zijn taal, zijn sociale normen - moeten opgeven en wordt gedwongen nieuwe manieren te vinden om zichzelf te beschrijven, of zoals Rushdie het uitdrukt in een artikel over Gunther Grass, 'new ways of being human' te vinden. Het migrantendom ziet Rushdie echter niet als een staat van uitverkorenheid: de metafoor van de kunstenaar als migrant is volgens hem niets anders dan een exponent van de hedendaagse samenleving: 'we all cross frontiers; in that sense, we are all migrant peoples.' Zijn roman The Satanic Verses ziet hij als een onverbloemde hulde aan het migrantendom, een ode aan de bastaardmens. Het is een roman over 'hybridity, impurity, intermingling, the transformation that comes of new and unexpected combinations of human beings, cultures, ideas, politics, movies, songs. It rejoices in mongrelization and fears the absolutism of the Pure.'

Voetnoten Deze drie onderwerpen - verbeelding, politieke betrokkenheid en innerlijke verdeeldheid als levensvoorwaarden - lopen als rode draden door Imaginary Homelands. Maar zoals bij alles wat Rushdie schrijft, ontleent ook dit boek zijn kracht vooral aan de ontzagwekkende veelzijdigheid van de auteur; het is een onbeschaamd bastaardboek, waarin Rushdie al zijn gedachten en ideeen, uitgewerkt of half-uitgewerkt, van het afgelopen decennium heeft gestopt. Het is aan de lezer om de verbanden te zien en de samenhangende thema's bloot te leggen. Essays, recensies en gelegenheidsstukken wisselen elkaar af, de toon is nu eens badinerend, dan weer hartstochtelijk, dan weer fel polemisch. Rushdie is niet het type essayist voor voetnoten: zijn geest werkt te snel om iedere gedachten- of ideeensprong geduldig uit leggen, wat hier en daar tot een dolmakende versimpeling leidt (zoals hij ze beschrijft, komen de politieke problemen in India me verdacht eenvoudig voor). Veel doet het er niet toe; Rushdie als essayist en journalist is iemand die zijn ideeen lijkt te ontwikkelen terwijl hij schrijft en de woorden van anderen leest. Bij hem gaat het niet om die ene perfecte observatie of die andere volmaakt uitgewerkte gedachte; hij is een schrijver die zowel in zijn essays als in zijn romans voortdurend uitnodigt tot het debat, sterker nog, zonder dat debat zou hij eenvoudig niet kunnen bestaan.

Imaginary Homelands zou een triomf zijn voor het soort schrijverschap dat Rushdie als ideaal voor ogen staat, wanneer het boek niet eindigde in wat veel mensen zullen beschouwen als een nederlaag; in het laatste stuk van de bundel legt Rushdie uit waarom hij, de ongelovige, de secularist, de eclecticus, de provocateur, de trotse bastaard, zich tot de Islam heeft bekeerd. Terecht stelt hij dat deze keuze een zaak van zijn eigen geweten is. In die zin staat een schrijver los van de woorden die hij schrijft, zodat het niemand past een daad als deze te veroordelen. Ars longa, vita brevis, zoals de ex-radicaal en ex-vriend van Rushdie in een recensie van Imaginary Homelands opmerkte. De verdedigers van Rushdie - en last but not least zijn rancuneuze ex-vrouw - die nu weer zuchtend achteroverleunen in hun fauteuil en klagen over zijn laffe verraad, maken de stap die hij gedaan heeft alleen maar begrijpelijker, vooral omdat de religie, en in het bijzonder de islam, voor Rushdie zelf nooit de vijand is geweest.

Misschien is het nog te vroeg voor een interpretatie. 'Why I Have Embraced Islam' is ook geschreven door iemand die zijn eigen leven wil redden, nu niemand anders het doet. Rushdie zegt het zelf in zoveel woorden: door toe te treden in de geloofsgemeenschap hoopt hij zich te verzoenen met zijn vijanden, zodat 'the language of enmity will be replaced by the language of love'. Dit lijkt me een naieve gedachte (die inmiddels ook al weer teniet gedaan is door Teheran), aangezien ook Rushdie zelf voortdurend benadrukt heeft dat het doodvonnis dat over hem werd uitgesproken vanaf het begin veel meer een politieke dan een religieuze kwestie is geweest.

Wie de verzamelde essays van Rushdie leest, weet dat het lijfsbehoud nooit de enige reden kan zijn. De stap naar het geloof is voor buitenstaanders uiteindelijk altijd onbegrijpelijk, zodat de bekeerde al snel allerlei opportunistische motieven worden toegedicht; het is heel goed mogelijk dat gedurende de afgelopen maanden de literatuur alleen de leemte binnenin Salman Rushdie niet meer kon vullen. Het feit dat hij zijn aarzelende geloofsbelijdenis in een boek plaatst met alle artikelen die hij als ongelovige schreef, doet vermoeden dat hij ook zijn nieuwe 'thuisland' als niet meer dan denkbeeldig beschouwt.