Plaveisel

Jaren geleden, in Eindhoven, vertelde iemand mij van een ambtenaar bij Gemeentewerken die geheel overstuur was geraakt toen het wegdek van bepaalde straten, dat hij eerst glad had moeten maken, vijf jaar later moest worden voorzien van drempels.

Die revolutie kon de man niet verwerken. Toen heb ik begrepen dat er ook in het ontwerpen en aanleggen van wegen stijlen moeten bestaan, velerlei technische opvattingen en ideologische scholen.

Met mijn ergernis over het hobbelige, slordige en ongelijke plaveisel van het plein voor het station Den Haag Centraal, en in het algemeen met de rommelige indeling daarvan, moet ik dus oppassen. Op veel plekken in Den Haag, maar ook in andere steden, is er sprake van abstract-expressionistische trottoirs, tegels die schots en scheef tegen en over elkaar liggen. Bij voorkomende werkzaamheden diep in de grond, worden de gehakte gaten later bij voorkeur dichtgemaakt met anders gekleurde klinkers of stenen zodat op den duur het levendige beeld van de lappendeken of zelfs quilt ontstaat. Misschien is deze fantasievolle vormgeving van het plaveisel wel zoiets als, indertijd, de parken en tuinen waar het onkruid vrij spel moest krijgen om zo de natuur na te bootsen en in ons steedse bestaan toch aanwezig te laten zijn. Het schots en scheve plaveisel zou een gevoel van avontuur en vrijheid kunnen uitdrukken in een maatschappij als de onze waarin alles zo perfect is geregeld en aan banden gelegd. Het kan geen technisch probleem zijn, of gebrek aan bekwaamheid, want als een voetbalveld spiegelglad kan zijn waarom dan ook niet een pleintje?

Maar als burger tasten we toch hoofdzakelijk in het duister over de geheime overwegingen van de ontwerpers van de voetgangersgebieden. Wij burgers strompelen voort.