Over boeken en schrijvers

Akoprijs 't Hart Fragmenten Leo Rijkens

Akoprijs De AKO Literatuur Prijs wordt dit jaar voor de vijfde keer toegekend.

Of er schrijvers van de AKO-prijs ((f) 50.000) rijk zullen worden, valt te betwijfelen maar invloed op de verkoopcijfers heeft de prijs zeker. Iedere uitgever erkent dit onmiddellijk.

De eerste keer, in 1987, won J. Bernlef met het boek Publiek geheim. Alfons Peters van uitgeverij Querido: “Er zijn ongeveer 40.000 exemplaren van verkocht. Je kan bij Bernlef niet precies de invloed bepalen omdat zijn boek vlak voor de sluiting van de inzendtermijn pas uitkwam. De populariteit van Bernlef na Hersenschimmen was enorm groot. Je kunt nu hoogstens zeggen: misschien zou Publiek geheim minder vaak zijn herdrukt.”

Theo Sontrop van De Arbeiderspers spreekt van 'een niet geringe invloed' die van de prijs uitgaat. Van het boek Veranderlijk en wisselvallig van AKO-prijswinnaar 1988 Geerten Meijsing zijn 20.000 exemplaren verkocht en volgens Sontrop betekende het voor Meijsing de doorbraak naar een groter publiek. “De invloed reikt zelfs zo ver dat boekhandels bij aanbieding opvallend veel bestelden van Altijd de vrouw, deel twee van het tweeluik.”

“Overweldigend groot” was de invoed van de AKO-prijs op de verkoop van Het koekoeksjong van Brigitte Raskin. Dit boek, dat bij Kritak in Leuven verscheen, haalde een oplage van 35.000 en de invloed van de prijs werkt nog steeds door bij de verkoop van haar tweede boek, Overwinteringsdagboek.

Het boek Karelische nachten van de winnaar van vorig jaar, Louis Ferron, beleefde een aantal herdrukken met een totale oplage van 11.000 exemplaren. Het bekroonde boek verkoopt nog steeds maar vreemd genoeg heeft de AKO-prijs “geen enkele invloed” op de verkoop van andere titels van Ferron gehad, aldus Oscar Timmers van de Bezige Bij.

De concentratie op de zes genomineerde titels vindt Theo Sontrop jammer en leidt tot een almaar voortschrijdende 'verkokering' van de literatuur. Dat wil zeggen: de steeds verder beperkte aandacht voor een handjevol spraakmakende titels. Volgens Sontrop zou de AKO-jury tussentijds al lijstjes bekend moeten maken, bij voorbeeld als de laatste twintig bekend zijn. “De AKO zal er niet rouwig om zijn want het betekent meer publiciteit”, aldus Sontrop, “en de aandacht richt zich dan niet alleen maar op die laatste zes titels.”

De AKO voelt daar niets voor omdat het nu al spannend genoeg is. “Het zou niet chic zijn tegenover de schrijvers om ze in etappes af te laten vallen”, zegt Umtul Kiekens, secretaris van het bestuur van de Akoprijs. “Officieus maken we het wel bekend omdat over de laatste twintig informatie wordt aangevraagd bij de uitgevers. De juryleden hebben het dit keer ook zelf openbaar gemaakt als ernaar werd gevraagd. Maar altijd toch pas achteraf.”

't Hart De meest spraakmakende attractie op het boekenbal 1991 was Maarten 't Hart die als vrouw verkleed door de gangen struinde. Programmamakers struikelden over elkaar bij het strikken van Maarten voor een van hun uitzendingen. Rur had Maarten als vrouw verkleed, Sonja uiteraard niet maar zij bood als tegenprestatie discussie. Ook dag- en weekbladen ondervroegen 't Hart. In Het Parool van 22 maart zegt de schrijver over zijn verkleedpartij en zijn travestie: “- ik kan er nu gemakkelijker over praten. In de tweede plaats kan ik er nu eindelijk dat boek over schrijven, het boek dat ik al zo lang wilde, maar niet durfde te schrijven.”

Meer zegt hij niet over dat boek maar er valt ook niet veel meer over te vertellen. “Ja, ik heb al jaren in mijn hoofd om er iets mee te doen”, zegt 't Hart desgevraagd. “Ik weet alleen nog niet precies hoe. Ik denk niet aan een roman, het moet iets autobiografisch worden.

Het zit nog allemaal in het ideeenstadium.” De verkleedpartij tijdens het boekenbal veroorzaakte veel ophef: “Het houdt maar niet op”, zegt de schrijver, “ik doe m'n best er nu een einde aan te maken. De meeste reacties zijn overigens positief geweest.”

Verzoeken om op te treden als vrouw zijn er verder niet geweest. “Ik heb geen uitnodigingen gehad maar als het iets leuks is zou ik het wel doen. Als een of andere organisatie daar ideeen voor heeft, ben ik daar best voor in.”

Fragmenten In het kleine, mooi uitgegeven boekje Fragmenten. Verkenningen van een imaginaire ruimte probeert C.O. Jellema onder woorden te brengen wat intimiteit is. Zijn gedachten erover zijn interessant, al ben ik het in een aantal opzichten volledig met hem oneens.

De imaginaire ruimte is volgens de verteller van Jellema wat zich uitstrekt achter het gezicht en het lichaam, maar ook wat zich bevindt achter het nu, dus in het verleden. Het is in feite een omschrijving van wat men 'ik' noemt. Tussen twee mensen die veel over zichzelf aan elkaar vertellen, ontstaat intimiteit. “Iemand, mij zeer vertrouwd, draagt een beeld van mij in hoofd, hart, lichaam. Dat beeld, door ervaring gevormd, staat mij misschien nader dan degene over wie ik het heb als ik 'ik' zeg. Heb ik mijzelf daartoe omgevormd?” Dat kan natuurlijk niet, denk ik dan. Al vertel je elkaar nog zo vaak hetzelfde verhaal, als je de beelden die je je daarbij maakt moet uittekenen ontstaan er twee versies. Daarom kan iemand zich nooit omvormen tot het beeld dat een ander van hem heeft, eenvoudigweg omdat het beeld niet volledig kenbaar is. Hetzelfde gaat op voor wat Jellema zegt over intimiteit: “Nu beleven ze wat intimiteit is: een imaginaire ruimte om twee hoofden die over de tafel naar elkaar toegebogen zijn, om vingers die elkaar aanraken -”. Onmogelijk, denk ik meteen, tenzij de betekenis van de term 'imaginaire ruimte' anders wordt gedefinieerd dan Jellema eerder deed. Want hoe dicht de hoofden ook bij elkaar zijn, de twee ruimtes kunnen nooit samensmelten, het blijven twee innerlijke werelden.

Het boekje is tweetalig uitgegeven, Nederlands en Duits, in keerboekvorm en bevat een tekening van Annelott Grezel Strathmann. Er is een luxe-editie en een gewone, die respectievelijk (f) 45,- en (f) 24,50 kosten, excl. (f) 2,50 verzendkosten. Te bestellen door overmaking op giro 2294805 t.n.v. uitg. Philip Elchers in Groningen.

Leo Rijkens Hij noemt zichzelf een neuroot, maar dan een mislukte. Dus geen echte neuroot? De journalist Leo Rijkens publiceerde memoires onder de titel Herinneringen van een mislukte neuroot. (Uitg. Bzztoh, prijs (f) 27,50). Rijkens heeft ongetwijfeld genoeg stof maar het is jammer dat hij over de meest oninteressante dingen schrijft. De uitgever vond dat kennelijk ook en zocht naar een zo goedkoop mogelijk vormgegeven uitgave.

Rijkens begint zijn herinneringen in 1963 als hij aan het afstuderen is bij Jacques Presser. Hij zit op dat moment zelf in de redactie van Propria Cures, heeft een paar teksten geleverd voor 'Zo is het toevallig ook nog eens een keer' en per 1 april 1964 zal hij toetreden tot de Haagse Post. Een veelbelovend begin van een mooi verhaal.

Rijkens schrijft dan: “Ik walg van mezelf nu ik dit alles neerschrijf.” De reden daarvoor is dat hij destijds een 'pover gevoelsleven' had en 'neurotisch' was. We krijgen dus geen anekdotes, geen schildering van kroegleven of televisieleven, van markante figuren of een weekbladredactie. Wat schrijft Rijkens dan wel? Tot vervelens toe krijgen we verhalen over pillen. Grote pillen, kleine pillen, slechte pillen, slaappillen. Als neuroot heeft Rijkens het dan vooral over de (eventuele) bijwerkingen: niervergiftiging of plotselinge dood. Daarmee wordt het boekje een soort vademecum voor de farmacotherapeut. Het meest schrijft hij over het inmiddels uit de handel genomen preparaat Doriden, een slaapmiddel dat bij Rijkens een tegengestelde werking heeft. Hij wordt er euforisch van, wat ertoe leidt dat de rest van zijn boek (en zijn leven) een jacht wordt op dit middel. Het is alleen op recept verkrijgbaar en meer dan vier pilletjes per week is niet verantwoord. Rijkens slikt er naar eigen zeggen af en toe twaalf op een avond!

Belangrijk is verder dat Rijkens zich bekeert tot het katholicisme naar het voorbeeld van Evelyn Waugh (en Gerard Reve waarschijnlijk).

Diverse malen voelt hij “een Aanwezigheid in de kamer” of hoort hij een innerlijke stem. Op zichzelf hoeft dat niet te verbazen bij iemand die alles slikt wat los en vast zit. Het is Rijkens echter menens en de 'Goddelijke Vonk' zal, zegt hij, zijn leven bepalen.

In 1988 komt Rijkens in 'Lucas L' terecht, schrijft hij. Lucas L? Dat klinkt bizar. We treffen zinsneden aan als: “Ik ben Lucas L erg dankbaar dat ik toch mag blijven.” en “Langzaam liep ik terug naar Lucas L” en “Ik was ongemerkt Lucas L genaderd.” Wat is dit voor raadsel? Waarom moet uitgerekend ik dit boek lezen? “'Lucas L' is een afdeling voor depressieve patienten in het psychiatrisch ziekenhuis Bloemendaal in Den Haag”, vertelt Rijkens me desgevraagd. “Zij is genoemd naar een psychiater, Lucas Lindeboom, die omstreeks de eeuwwisseling goed werk heeft gedaan.”