Na het paradijs

James Balog: Survivors. A New Vision of Endangered Wildlife. Uitg. Harry N. Abrams, 144 blz. Prijs (f) 101,95.

'Survivors', overlevenden, zo noemt James Balog de bedreigde dieren waarvan hij een reeks portretten heeft gemaakt. Het zijn fascinerende foto's, niet alleen door de uiterste technische perfectie waardoor elke schub, veer en vacht haast tastbaar wordt, maar vooral door de vragen die ze - zonder te preken - oproepen over onze verhouding tot deze medebewoners van de aarde. Geen wonder dat het moeite kostte om zijn foto's in de National Geographic geplaatst te krijgen.

Balog keert zich af van de traditionele dierenfotografie die zijn appeal ontleent of aan een kleffe schattigheid, of aan de romantiek van de wildernis. Dieren worden meestal in een 'natuurlijke' omgeving geplaatst, maar daardoor laten we volgens Balog in de luren leggen: het lijkt alsof ze nog altijd de Hof van Eden bewonen, terwijl deze beesten juist in uitzichtloze ballingschap in dierentuinen of safariparken leven.

Hij geeft ze hun waardigheid terug door die romantische franje weg te halen en ze juist in een nadrukkelijk kunstmatige omgeving te plaatsen. Ze krijgen als 'decor' lappen stof of plastic in hun hokken gehangen, of worden als mannequins voor een volstrekt effen witte achtergrond geplaatst. Balog verzwijgt zijn eigen aanwezigheid niet: vaak zijn attributen als lampen en snoeren in beeld. Op slechts een foto overigens is een mensenhand te zien, waarbij een miniscuul aapje zich aan een vinger vastklampt.

Soms kiest de fotograaf de benadering van de pars pro toto: het gepantserde achterwerk van de neushoorn, de staart van de krokodil.

Een enkele keer toont hij deze dieren onverholen in al hun kwetsbaarheid: de eenzame Humboldt-pinguin in een uitgekiend belicht decor, de zeeschildpad op z'n rug op een kussen.

Dierenfotografie, zeker wanneer het om bedreigde diersoorten gaat, is een hachelijke onderneming: het pathos ligt voortdurend op de loer.

Een enkele keer dreigt Balog die grens te overschrijden en krijgt de toeschouwer het ongemakkelijke gevoel dat hij gemanipuleerd wordt. Een olifant waar zachte witte stof omheen fladdert: het contrast is te zwaar aangezet, waardoor de foto een iets krijgt van een soft focus-beeld a la Richard Hamilton.

Hoewel hij met sommige dieren makkelijker contact kreeg dan met andere, hebben ze nooit een act hoeven opvoeren; de aap is uit zichzelf op de kruk gaan zitten, de grote kat is uit zichzelf gaan springen. Zielig zijn Balogs beesten nooit, integendeel: deze portretten ontlenen hun kracht juist aan het respect van de fotograaf voor zijn onderwerp en aan de gelijkwaardigheid tussen fotograaf en gefotografeerde.