MAX FRISCH 1911 - 1991; Het Zwitserse geweten

Voor Max Frisch, die gisteren op 79-jarige leeftijd in Zurich overleed, kwam de dood niet onverwacht. De Zwitserse schrijver hield al geruime tijd zwaar ziek het bed. In zijn woonplaats, het rustieke dorp Berzona in het Ticino, dempten passanten de afgelopen zomer ter hoogte van zijn villa eerbiedig hun stem. Voor de villa stond een Jaguar waarop zich zo langzamerhand lagen stof begonnen af te zetten. Frisch reed er zelden meer mee.

De even verderop wonende Golo Mann, eveneens stokoud en zeer breekbaar geworden, nam in de Duitse gemeenschap van Berzona, dat in de omgeving voor een kunstenaarsdorp doorgaat, bij afwezigheid van Frisch de honneurs waar als cultuurprins. Het heeft iets benauwends om in dit Italiaanstalige deel van Zwitserland een Duitse enclave te betreden.

De merendeels puissant rijke Duitse 'emigranten' dweepten met Mann, maar meer nog met Frisch, die niet meer de kracht had zich hiertegen te verzetten. Wat hij ook zei, dacht of schreef; het had in Berzona een nagalm als de preek in de kerk. Frisch was hier voor de rust gaan wonen, maar hield zich ook vaak op in Zurich en New York.

Frisch was een politiek geengageerd schrijver. Hij uitte zich zeer kritisch over het zogenaamd neutrale Zwitserland. “Om te demonstreren dat Zwitserland zich niet in de oorlogen van anderen mengt, leveren wij tegelijkertijd aan Egypte en aan Israel.” (Dagboek 1966-1971).

Hij nam het Zwitserse patriottisme, gesymboliseerd in de figuur van boogschutter Wilhelm Tell, op de hak en stelde het geweld van de kant van de staat, maar ook van de kant van revolutionairen aan de kaak.

Hij ontwikkelde zich tot het geweten van de natie. Frisch werd beschouwd als een van de belangrijkste moderne Duitstalige schrijvers.

Zijn werken werden in 37 talen vertaald, zijn toneelstukken over de hele wereld gespeeld. Vanwege zijn internationale faam werd hij door het establishment omarmd en als hij de Nobelprijs ooit gekregen zou hebben, een gevaar dat elk jaar weer op de loer lag, had men hem meteen op het plankje klassiekers kunnen bijzetten.

De in december van het afgelopen jaar overleden Friedrich Durrenmatt, die andere nestor van de Zwitserse literatuur (die net als Frisch door de Zwitserse veiligheidsdienst in de gaten werd gehouden), beschouwde de hele cultuur als een bouwsel tegen de dood. Zo'n bouwsel is het oeuvre van Frisch zeker. Al vroeg schreef hij over het ouder worden.

Hij vreesde dat met de ouderdom niet, zoals juist vaak beweerd wordt, de wijsheid zou toenemen. In vragenformulieren die hij afdrukte in zijn dagboeken stelde hij zichzelf de vraag: “Bent u geschokt als u aan uw eigen dood denkt?” Het antwoord ontbreekt.

Frisch probeerde in zijn boeken greep op het leven te krijgen door zo veel mogelijk 'ontwerpen voor een ik' de revue te laten passeren. In Gantenbein (1964), wellicht zijn meest experimentele roman, schrijft hij over de met zijn identiteit worstelende mens. “Elk ik dat zich uitspreekt is een rol”, zegt Gantenbein. De mensen willen niet zo zijn zoals anderen hen zien. De 'anderen' hebben vooroordelen, zoals Frisch schrijft in zijn toneelstuk Andorra (1961), waarin iemand vermoord wordt omdat de massa denkt dat hij een jood is. Hij is dat niet maar identificeert zich geheel met de aan hem opgedrongen rol.

Een identiteit is uit losse bestanddelen op te bouwen, denkt de romanheld Gantenbein. Hij plukt in Parijs en New York deeltjes van een identiteit bijelkaar: “Men kan immers niet naakt door de wereld lopen.” Een identiteit in die zin heeft veel weg van een schaamlap.

Wat wordt erdoor verhuld? Gelukkig bleef Frisch, de 'getekende', zoals hij zichzelf wel noemde, het antwoord schuldig.