Marlen Haushofer: Ontmoeting met de onbekende. ...

Marlen Haushofer: Ontmoeting met de onbekende. Vert. Ria van Hengel. Uitg. BZZToH, 174 blz. Prijs (f) 34,50.

Thomas Bernhard: Op de hoogte - reddingspoging, onzin. Vert. Gerrit Bussink. Uitg. de Prom, 115 blz. Prijs (f) 24,50. -: Oude meesters. Vert. Thomas Graftdijk. Uitg. De Arbeiderspers, 195 blz. Prijs (f) 39,90.

Friedrich Durrenmatt: Doorelkanderdal. Vert. Gerrit Bussink. Uitg. de Prom, 138 blz. Prijs (f) 27,50.

Erich Hackl: Afscheid van Sidonie. Vert. Theodor Duguesnoy. Uitg. Amber, 92 blz. Prijs (f) 24,90.

Peter Handke: Essay over de moeheid. Vert. Hans Hom. Uitg. de Prom, 69 blz. Prijs (f) 24,90.

“Ik zou ze allemaal kunnen vermoorden die zo'n zacht, goedaardig kind van mij hebben gemaakt”, zegt een vrouw in de bundel Ontmoeting met de onbekende. De personages van Marlen Haushofer (1920-1970) worstelen hun leven lang met de goede Oostenrijkse opvoeding die zij genoten hebben. Ze haten de vlakheid en middelmatigheid van hun bestaan en tegelijkertijd zijn ze doodsbang voor de wildheid in zichzelf en anderen. Laten zij zich toch eens gaan, dan vooral in angstvisioenen.

De enkeling die wel uitbundig durft te leven bekoopt dat met een voortijdig einde.

De oververtegenwoordiging van huisvrouwen in deze ten dele in de jaren vijftig geschreven verhalen maakt een gedateerde indruk, maar de neurosen die Haushofer onder de loep neemt zijn nog steeds heel herkenbaar. Dank zij haar scherpe ironie blijft de masochistische ondertoon verdraaglijk. “Niet de kleinste huichelarij ontging haar”, schrijft zij over een van haar personages. Die uitspraak is ook van toepassing op Haushofer zelf. Wel had de vertaling van dit indringende proza iets zorgvuldiger geredigeerd mogen worden.

Marlen Haushofer: Ontmoeting met de onbekende. Vert. Ria van Hengel. Uitg. BZZToH, 174 blz. Prijs (f) 34,50.

Zelfkwelling schijnt een Oostenrijkse volkssport te zijn; Haushofers landgenoot Thomas Bernhard (1931-1989) bekwaamde zich er althans reeds vroeg in: zijn eerste roman Op de hoogte uit 1959 staat al stijf van het geklaag en gekanker, gevat in een eindeloze zin die tenslotte toch nog verrassend puntig eindigt. Hij weet dat wat hij opschrijft onzin is, maar: “- aan die paar gedachten klamp ik mij vast, en om elke letter gaat het, het gaat om elke letter en om het besef van stompzinnigheid”. Hij durft te zeggen wat vlotte zelfontplooiers niet over hun lippen krijgen: dat het een enorme last is om steeds maar aan jezelf te werken. Bernhard: “Ik word gekweld door neerslachtigheid omdat ik een wezen ben dat zichzelf moet vervullen, dat niet anders kan dan zichzelf te vervullen”. De schaamteloosheid waarmee de man zijn schaamte etaleert werkt erg verfrissend.

In Oude meesters, een tekst uit 1985, reageert Bernard zijn onvrede niet meer voornamelijk op zichzelf af, maar op de kunst in het algemeen. De bejaarde criticus Reger is niet weg te branden van een zitbank in een Weens museum. Al tientallen jaren kijkt hij naar hetzelfde meesterwerk, op zoek naar gebreken. Omdat hij 'het gave en het volmaakte' niet kan verdragen heeft hij namelijk besloten dat perfecte kunst niet bestaat. “Al deze schilders waren toch niets dan door en door leugenachtige staatskunstenaars”, moppert hij. Vooral Stifter, Bruckner en andere lievelingen van het Oostenrijke publiek moeten het ontgelden.

Dat heeft allemaal weinig te maken met een serieuze poging de kunst van de last der traditie te ontdoen, om er dan eens onbevangen van te gaan genieten. De bevrijdende ontdekking dat je een kunstwerk ook kunt afwijzen leidde bij Bernhard slechts tot nieuwe onvrijheden. Een kunstenaar vereren bij voorbeeld is voor hem taboe: “Alleen de domkop bewondert, de schrandere bewondert niet, hij respecteert, acht, begrijpt.”

Thomas Bernhard: Op de hoogte - reddingspoging, onzin. Vert. Gerrit Bussink. Uitg. de Prom, 115 blz. Prijs (f) 24,50.

-: Oude meesters. Vert. Thomas Graftdijk. Uitg. De Arbeiderspers, 195 blz. Prijs (f) 39,90.

Een vernietigend beeld van Zwitserland schetst Friedrich Durrenmatt in zijn roman Doorelkanderdal, die hij kort voor zijn dood in 1990 voltooide. Het Doorelkanderdal is voor zijn voortbestaan afhankelijk van een kuuroord dat zijn beste tijd allang gehad heeft. Nu gebeuren daar dingen die het daglicht niet kunnen verdragen. 's Zomers verandert het oord in een 'Huis van de armoede', waar de perverse zielzorger Mozes Melker steenrijke mensen nederigheid bijbrengt. 's Winters dient het als onderduikadres voor Amerikaanse topmisdadigers.

Even dreigt de schuilplaats ontdekt te worden als een van de criminelen de dochter van de burgemeester verkracht. Maar de advocaten en ministers bij wie het dorpshoofd vervolgens aanklopt blijken allemaal onder een hoedje met de gangsters te spelen. “Ons land is het meest ondoorzichtige land van de wereld”, zegt een vooraanstaand politicus. “Niemand weet - wie de kaarten in handen heeft en wie ze heeft geschud. We doen alsof we een vrij land zijn, maar intussen weten we zelf niet eens zeker of we onszelf nog wel bezitten.”

Over zijn boodschap laat Durrenmatt geen twijfel bestaan: de democratische rechtstaat is ernstig uitgehold, want de burgers hebben niets te vertellen en de macht is oncontroleerbaarder dan ooit.

Friedrich Durrenmatt: Doorelkanderdal. Vert. Gerrit Bussink. Uitg. de Prom, 138 blz. Prijs (f) 27,50.

Stopt domineeszoon Durrenmatt zijn moralisme bij voorkeur in een satirische verpakking, de Oostenrijker Erich Hackl (1954) kiest eerder voor de kroniekvorm. In zijn jongste prozawerk Afscheid van Sidonie vertelt hij de geschiedenis van een zigeunermeisje dat in 1933 ergens op het Oostenrijkse platteland te vondeling wordt gelegd. Het kind met de vrolijke gitzwarte ogen steelt de harten van het eenvoudige arbeidersechtpaar Breirather. De vele cijfers en jaartallen die Hackl door het relaas heen strooit suggereren een onaanvechtbare objectiviteit, maar het onderliggende schema van goed en kwaad spreekt andere taal. Van Sidonies pleegvader bij voorbeeld maakt de schrijver een toonbeeld van rechtschapenheid: terwijl om hem heen iedereen naar de nazi's overloopt blijft Hans Breirather moedig aan de linkerkant van het politiekie spectrum staan.

Toch heeft de goedheid van de Breirathers iets zeldzaam vergeefs. Sidonie kunnen zij er niet mee redden; ze zijn te afhankelijk van de anderen. En die anderen, geciviliseerde mensen zoals de maatschappelijk werkster en de onderwijzer, werken er vlijtig aan mee dat het zigeunerkind naar Auschwitz wordt afgevoerd. In de ogen van het meisje zijn alle volwassenen verraders, haar pleegmoeder nog het meest. Op het moment dat deze het kind naar 'haar echte moeder' - in werkelijkheid naar een doorgangskamp - brengt, lees je opeens: “Dit is de plaats waarop de kroniekschrijver zich niet langer kan verschuilen achter feiten en vermoedens. Waarop hij zijn machteloze woede zou willen uitschreeuwen.” Op deze ene uitbarsting na legt de nog vrij onervaren schrijver Erich Hackl een bijna griezelige discipline en zelfbeheersing aan de dag.

Erich Hackl: Afscheid van Sidonie. Vert. Theodor Duguesnoy. Uitg. Amber, 92 blz. Prijs (f) 24,90.

Op het Zuidspaanse platteland zag Peter Handke hoe gelovigen door de straten trokkem om het lijden en de herrijzenis van Christus te gedenken. Geinspireerd door die processies schreef Handke een Paasboodschap voor heidenen, Essay over de moeheid genaamd. Aan de hand van diverse trappen van moeheid legt hij daarin uit hoe men van het lijden aan de wereld kan genezen. Alle lagere soorten moeheid associeert hij met angst, geweld en eenzaamheid. De laagste soort vindt hij in de kerk uit het dorp van zijn kinderjaren. Daar krijgt de kleine Peter het zo benauwd dat hij met zijn gejengel de mis verstoort. Nare herinneringen bewaart Handke ook aan de 'moeheidsduivel' die hem parten speelde zodra hij met een vriendin in bed lag; samen met een vrouw voelde hij zich verlatener dan ooit.

Een aanzienlijk hogere rang kent hij aan de moeheid toe die bij het schrijven optreedt. Weliswaar is ook het schrijven een eenzame bezigheid, maar dat biedt hem tenminste de mogelijkheid boven zijn bangelijke ego uit te stijgen en in zijn eigen beeldspraak op te gaan.

Handke zoekt naar voorstellingen van vrede en harmonie waarin hij helemaal met de medemens en het universum kan versmelten. Maar hoe smeed je al die losse beelden tot een subliem geheel aaneen? Je moet er een goddelijke moeheid voor bezitten. Voor een sterfelijk wezen als Handke vereist het nog wel enige oefening voordat hij die hoogte heeft bereikt.

Peter Handke: Essay over de moeheid. Vert. Hans Hom. Uitg. de Prom, 69 blz. Prijs (f) 24,90.

    • Anneriek de Jong