Krimpende winsten

Het voorjaar kent behalve de Mattheus Passion nog andere jaarlijks terugkerende hoogtepunten.

Een daarvan is het verschijnen van het Centraal Economisch Plan (CEP).

Een vooruitblik op de economische ontwikkeling gedurende het lopende jaar. Sinds een paar jaar wordt het van regeringswege verschijnende CEP begeleid door een boekje waarin het Planbureau voor eigen verantwoordelijkheid iets verder vooruit tuurt. Dit Economisch Beeld 1992 richt de kijker zelfs op 1994. Je kunt je afvragen of het belangstellend publiek door de Beelden het Plan nog wel ziet. Langer dan een jaar vooruit rekenen met twee cijfers achter de komma heeft door de vele onzekerheden niet zoveel zin. Dat blijkt al heel duidelijk bij een vergelijking van de vooruitberekeningen inzake 1991 van nu, met die van een half jaar geleden.

De rekenmeesters van het Centraal Planbureau (CPB) hebben wat dit jaar betreft namelijk al eerder van zich laten horen. September vorig jaar, toen de Miljoenennota aan de Staten-Generaal werd aangeboden, verscheen de Macro Economische Verkenning (MEV) 1991. Een voorloper op het nu gepubliceerde CEP '91. Het spreekt vanzelf dat de mensen van het CPB in april 1991 een beter zicht op dit jaar hebben dan ze zes maanden geleden in september 1990 hadden. Het is dan ook interessant om niet alleen te kijken naar de cijfers die nu op tafel liggen. De mate waarin ze mee- of tegenvallen ten opzichte van de verwachtingen in de MEV van september 1990, zegt iets over hoe snel het kan verkeren.

In de tabel is een gedeelte van de tabel Kerngegevens uit het CEP 1991 overgenomen. De getallen zijn afgerond op een cijfer achter de komma.

In de tweede tot en met vierde kolom staan in de meeste gevallen procentuele veranderingen ten opzichte van het vorige jaar. Als dat niet zo is, zoals bij voorbeeld bij de dollarkoers, dan wordt dit vermeld. De eerste regel gaat over de veronderstelde ontwikkeling van de wereldhandel. In 1989 is het volume 7,1 procent gestegen ten opzichte van 1988. In 1990 5,3 procent ten opzichte van 1989. Voor 1991 wordt momenteel een stijging ten opzichte van vorig jaar verwacht met 3,5 procent. In de laatste kolom staat wat men in september vorig jaar voorzag: 5,3 procent. Het CPB verwacht nu dus voor 1991 een veel kleinere stijging van het wereldhandelsvolume dan zes maanden geleden.

Op grond van de veronderstellingen over de wereldhandel, de dollar, de overheidsbestedingen, enzovoorts worden met behulp van een model van de Nederlandse economie uitkomsten verkregen. Deze zijn onder het hoofdje Resultaten opgenomen. Aan die resultaten valt te zien dat Nederland wat aan het kwakkelen is. Het groeitempo van de produktie laat te wensen over. Dat tempo hangt op de wat langere duur af van de ontwikkelingen aan de aanbodkant van de economie, van de groei van de produktiecapaciteit. En die wordt op haar beurt bepaald door groei en scholing van de beroepsbevolking, door uitbreiding van de hoeveelheid kapitaalgoederen, door ontwikkeling van de techniek, door betere organisatie van produktie en distributie.

Om ondernemers tot investeren en innoveren te brengen, moet er voldoende vraag naar hun produkten zijn. Zowel aan de aanbod- als aan de vraagkant gaat het momenteel wat minder. Wat het aanbod betreft, daar ontbreekt het aan dynamiek. Scholing en innovatie vertalen zich in het algemeen in een hogere arbeidsproduktiviteit (de hoeveelheid produkt per werkende per jaar). Uit de tabel blijkt dat de toeneming van de arbeidsproduktiviteit de laatste twee jaar niet meer dan 1,5 procent bedraagt. Aan de vraagkant zien we de groei van de bestedingen van consumenten nog het minst teruglopen. Maar de ontwikkeling van de investeringen van bedrijven wordt ten opzichte van 1989 en 1990 gevoelig lager geraamd. Evenals de overheidsbestedingen, die zelfs zullen krimpen. Wat de uitvoer betreft: de MEV verwachtte nog een stijging van 5,8 procent; het CEP brengt dit terug tot 4,3.

Als het Planbureau spreekt over een groeivertraging, dan is die vooral zichtbaar bij het 'produktievolume van bedrijven'. In 1989 nog een groei van 4,5 procent; in 1991 wordt 2,5 procent verwacht. Dit cijfer maakt het kwakkelen duidelijk zichtbaar. En een achterblijvende produktie in de bedrijven leidt direct tot minder groei van het aantal banen, de werkgelegenheid. Van 1988 op 1989 steeg deze nog met 92.000 arbeidsjaren. Van 1990 op 1991 worden een stijging met 39.000 arbeidsjaren verwacht. Eenzelfde beeld bij de werkloosheid: de daling stagneert.

Opvallend is de flinke stijging van de loonsom per werknemer. Begrijpelijk en ook nodig, omdat na jaren van winstherstel de werknemers ook aan hun trekken willen en moeten komen. Maar toch ligt hier alweer het verdriet voor de toekomst klaar. Als je de winsten niet wilt aantasten, is de beschikbare ruimte voor loonsverhogingen - de loonruimte - gelijk aan de stijging van de arbeidsproduktiviteit (1,5 procent) plus de prijsstijging (2,5 procent), dus 4 procent.

Verwacht wordt een stijging van de loonsom per werknemer van 5,3 procent. De gemiddelde ondernemer is dus meer kwijt aan loonsverhoging dan hij kan betalen uit vergrote arbeidsproduktiviteit en uit verhoging van zijn prijzen. Dat gaat ten koste van zijn winst. Op landelijk niveau zie je dit terug in een stijging van de arbeidsinkomensquote (aiq), ruwweg het deel van de nationale koek dat de factor arbeid ontvangt. In de tabel gaat deze een heel punt omhoog.

Het spiegelbeeld van een stijgende aiq is een dalende winstquote. Krimpende winsten, minder uitbreiding van de capaciteit, minder arbeidsplaatsen. We hebben het allemaal al eerder gezien.

Een lichtpuntje: de recente dollarstijging is in het rekenwerk van het CPB nog niet verwerkt. Het Planbureau raamt de gemiddelde dollarkoers in 1991 op 1,65 gulden. Dat lijkt op dit moment aan de zeer lage kant.

Een duurdere dollar versterkt onze concurrentiepositie ten opzichte van landen die hun produkten in dollars prijzen. Export, produktie en werkgelegenheid krijgen daarvan een opkikker. En zo zou in de praktijk ons gekwakkel nog wel eens kunnen meevallen.