Het katholicisme van Luise Rinser; De stank van Biotex

Luise Rinser: Bij de tijd, Dagboek 1967-1988, vert. Ruth Wolf en Ria van Hengel, nawoord Hans Ester. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 233 blz. Prijs (f) 34,90 -: Abaelards Liebe. Uitg. S. Fischer, 224 blz. Prijs (f) 47,60

Dertig jaar geleden las ik, in vertaling, Mitte des Lebens, van Luise Rinser. Ik was diep onder de indruk van deze geschiedenis van een vrouw die van een getrouwde man houdt en weet dat dat eigenlijk niet kan. Hoe ik de roman nu zou waarderen weet ik niet, maar dank zij Mitte des Lebens heb ik altijd een zwak gehouden voor Luise Rinser.

Ander werk kon mij echter niet bekoren en toen haar dagboeken begonnen te verschijnen, constateerde ik - want zulks had ik niet gemerkt uit Mitte des Lebens - dat de schrijfster behoort tot de verlichte papen.

Eerlijk gezegd heb ik liever met conservatieve katholieken te doen dan met zo op het oog verstandige, aardige, vriendelijke, liberale papen.

Iemand als bisschop Gijsen verafschuw ik tot in de uithoeken van mijn ziel, maar wat moet je nu met zo'n aardige vrouw als Luise Rinser die heel dat paarskleurige paapse gedachtengoed als schrikbarende apekool zou moeten afzweren.

TWEEDRACHT

Niettemin lees je in deze keuze uit de zes dagboeken die sinds 1970 zijn verschenen allerlei dweperig en sentimenteel gezeur over Jezus, die Rinser - hoe onsmakelijk - af en toe Rabbi Jesjoea noemt en die zij, in navolging van zoveel anderen, ziet als iemand die opkwam 'voor de zwakken in de samenleving'. Het lijkt wel of al die christenen die elkaar maar klakkeloos napraten dat Jezus zo edelmoedig opkwam voor 'de vernederden en verdrukten' nooit de moeite nemen of hebben genomen om de vier evangelien nu eens precies en grondig te lezen. Niks opkomen voor de zwakken. ('De armen hebt gij altijd bij u'), niks opkomen voor 'vernederden en verdrukten'. ('Ik ben gekomen om tweedracht te brengen tussen een man en zijn vader en tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn'.

Goddank blijven schoonvader en schoonzoon blijkbaar buiten schot!) Jezus laat een vijgeboom verdorren die hem niet aanstaat en laat uit de losse pols zomaar tweeduizend varkens verdrinken. Enfin, mevrouw Rinser denkt er anders over, maar bij mij draait de maag bij al die Jesjoea-passages steevast om. Afschuwelijk vind ik ook een passage als deze: “Alsof de mens 'natuur' is zoals een dier! Hij is wezenlijk bovennatuur en is aan andere wetten onderworpen dan de andere schepselen, die niet tot zelfbewustzijn zijn gekomen.”

Onvoorstelbare kletskoek! Zo'n passage leidt tot de mentaliteit van varkensverdrinkers en vijgeboomverdorders - ach, dat zijn immers minderwaardige schepselen die niet tot 'zelfbewustzijn' zijn gekomen.

Zo'n passage maakt duidelijk waarom christenen altijd zo makkelijk naar hartelust geslacht, gejaagd en gekapt hebben, en waarom het hen tot voor kort volledig ontbrak aan enig milieu-bewustzijn. Dieren en planten hadden immers geen ziel, daar mocht je mee doen wat je wilde.

Mevrouw Rinser is ook zo iemand die in mensen 'reinheid' weet te ontdekken. Ze is zo iemand die spreekt over iemands 'uitstraling'. Zo schrijft ze over nobelprijswinnaar Heisenberg: “Niets is 'bijzonder'

aan hem, behalve de reinheid van zijn uitstraling.'' Het zal toch over je gezegd worden! Als iemand dat over mij zou opmerken zou ik terstond in een container met varkensmest springen. 'Reinheid van uitstraling'.

Wat een ontzettend enge ziekte! Lezend in deze Lebensbejahende paapse aantekeningen ging ik hoe langer hoe meer snakken naar een cynische opmerking, naar een boosaardigheid.

Al had Luise Rinser maar een klein beetje zelfspot! Maar ze heeft geen humor, ze is gespeend van ook maar het kleinste beetje nuchter verstand, en haar hele denkwereld is gekleurd door een laf, verlicht, liberaal katholicisme dat niet naar wierook stinkt maar naar Biotex.

DE ZOON VAN ABAELARD

In Abaelards Liebe grijpt Luise Rinser terug op de bekende geschiedenis van de in 1079 geboren theoloog Abaelard. Hij werd aangesteld als opvoeder van Heloise. Abaelard en Heloise werden verliefd op elkaar, Heloise raakt in verwachting, de theoloog ontvoert haar, en de gelieven trouwen in het geheim. De zoon wordt bij de zuster van Abaelard ondergebracht. Als alles uitkomt, wordt Abaelard voor straf ontmand, en Heloise gaat in het klooster. Ook Abaelard komt in zo'n oord terecht. Al met al een hoogst onverkwikkelijke geschiedenis die, lijkt mij, voor een romanschrijver aanleiding zou kunnen zijn om de fundamentele huichelachtigheid van het paapse gedachtengoed vlijmscherp aan de kaak te stellen. Luise Rinser heeft dat niet gedaan. Zij laat het hele verhaal vertellen door de zoon van Heloise en Abaelard. Hij is verontwaardigd, opstandig, en klaagt heftig zijn beide ouders aan, terwijl hij ze anderzijds ook probeert te begrijpen. Rinser heeft de toon goed getroffen. De jongeman komt voor je tot leven en zijn vertwijfeling en verongelijktheid heeft zij knap vorm weten te geven. Toch heb ik de roman met groeiende tegenzin gelezen. Dat ligt, denk ik, niet aan gebrek aan vakbekwaamheid van de schrijfster, maar aan het feit dat je weet dat wat hier verhaald wordt op historische feiten berust en van die feiten wil je liever geen kennis nemen omdat het hele verhaal iets lugubers heeft. Was het rooms-katholicisme er niet geweest, dan had zich zo'n gruwelijke geschiedenis nooit kunnen afspelen. Het lijkt of Rinser dat niet inziet of niet wil inzien. Het lijkt alsof ze via die zoon alsnog tegen Abaelard en Heloise wil zeggen: jullie hadden niet verliefd op elkaar mogen worden. En dat terwijl niet hun liefde, maar hun kerk al hun lijden heeft bewerkstelligd.

Enfin, wie rooms is en houdt van historische romans zal zeker plezier beleven aan deze in sober, on-literair proza geschreven geschiedenis.