Het akorakel

Waarom moet het toch altijd zo droevig aflopen met een zo aardige prijs? De zes titels die vorige week voor de AKO-literatuurprijs werden genomineerd zijn dit jaar nog onverwachter dan voorafgaande jaren. De criteria voor het te bekronen werk lijken verruimd, elke soort 'kwalitatief hoogstaand proza' kon meedingen. “Ach, arme literatuur.”

Het is weer zover: AKO-tijd. De giftige dampen borrelen al weer op.

Het AKO-orakel is weer begonnen met het afgeven van zijn eerste signalen. De magische formules die de hogepriesters tijdens hun werkzaamheden uitstoten klinken weliswaar elk jaar een beetje anders, soms vang je iets op over grote persoonlijkheden, soms gaat het over oorspronkelijkheid of over visie of stijl, maar hun conclusies geven steeds weer reden tot dezelfde lichte opwinding.

De eerste fase van het jaarlijks ritueel is vorige week woensdag afgesloten met het publiceren van een tussenverslag. VVD-fractieleider Bolkestein heeft toen de zes nederlandstalige boeken uit zijn hoge hoed getoverd, die eind volgende maand mogen meedoen aan de eindstrijd om de door het AKO concern beschikbaar gestelde (f) 50.000. De namen hebben inmiddels in alle kranten gestaan. Het zijn het Zuidafrikaanse reisboek Het beloofde land van Adriaan van Dis, de roman Littekens van de Vlaamse Patricia de Martelaere, de biografie Mijnheer Gezelle van Michel van der Plas, Altijd de vrouw, het vervolg van Geerten Meijsing op zijn in 1988 bekroonde Veranderlijk en Wisselvallig, de verhalenbundel Zuidland van P.F. Thomese en het kinderboek Verse bekken! van Anne Vegter.

Het wachten is nu dan op de ramp van de einduitslag die ons waarschijnlijk nog boven het hoofd hangt. Welk boek zullen alle 107 AKO-verkooppunten deze keer op hetzelfde moment in hun etalage moeten neerleggen, met daarom het bandje met de tekst: AKO literatuur prijs 1991. Hoe dan ook, dat het wederom een boek is dat bij de argeloze lezer voorgoed elke opkomende belangstelling voor de literatuur de kop indrukt, lijkt onvermijdelijk. De nog korte geschiedenis van het fenomeen heeft geleerd dat de prijs en alles wat daar bij komt kijken tot nu toe alleen maar het effect heeft gehad van anti-reclame voor het lezen. De jury van deze prijs is er tot nu toe steeds op uit geweest de meest onverwachte en meest omstreden beslissingen te nemen.

Drie jaar geleden was het plotseling de gekunstelde roman Veranderlijk en Wisselvallig van Geerten Meijsing die werd uitgeroepen tot het beste boek van het jaar. Het jaar daarop was het het zo mogelijk nog slechtere Koekoeksjong van Brigitte Raskin dat door de jury (Erik Jurgens, Rik van Gorp, Hannemieke Stamperius, Jacq Vogelaar en Hans Warren, onthoud die namen) uit het niets naar boven werd gehaald. En vorig jaar was er van de prijs al helemaal niets meer over, toen Louis Ferron werd bekroond vanwege zijn doorzichtige Karelische nachten.

Een dialoog zoals die op 22 mei van dit jaar, na de bekendmaking van de definitieve winnaar, gehoord zal kunnen worden.

-“Ik heb gisteren de AKO-prijs gewonnen.” -“De wat?”

-“De AKO-prijs. Mijn boek hoort nu thuis in het rijtje Publiek geheim van J. Bernlef, Veranderlijk en wisselvallig van Geerten Meijsing, Het koekoeksjong van Brigitte Raskin en Karelische nachten van Louis Ferron.”

-“Ach, arme!”

RAMP

Ach, arme literatuur. En ach, arme lezers die afgaan op het geldbedrag van (f) 50.000 dat aan het winnende boek wordt uitgekeerd. De literatuur groeit en bloeit nog steeds, en er wordt nog altijd veel gelezen in Nederland, maar waarom is het met de AKO-prijs vanaf het eerste begin nooit helemaal goed gekomen?

Dat een kleine ramp ook dit jaar niet moet worden uitgesloten zal duidelijk zijn voor iedereen die de zes genomineerde boeken en hun aanprijzingen in het juryverslag heeft gelezen. Niet alleen zitten er deze keer maar liefst twee uiterst deprimerende en vrijwel onleesbare romans tussen, Littekens van Patricia de Martelaere en Altijd de vrouw van Geerten Meijsing, er zit nu ook een specialistische biografie bij, een genre dat net zoveel met literatuur te maken heeft als een roman met wetenschap, en er is een kinderboek genomineerd. Een op zichzelf heel aardig boek, dat laatste, laat daar geen misverstand over bestaan. Het heet voluit Verse bekken! of hoe Heel Kort zich in een kip vergiste, uit het wc-raam hing, het op een sluipen zette en andere avonturen van de rat en het heeft een groot aantal leuke plaatjes.

Maar stel je voor dat dit tekstje van amper twintig bladzijden, zo'n drieduizend woorden schat ik, straks wordt uitgeroepen tot het beste boek van 1990 en de eerste anderhalve maand van 1991.

Ik zie al voor me hoe dat straks op 21 mei bij de prijsuitreiking zal gaan. De televisie zendt rechtstreeks het feestelijke galadiner van de AKO-stichting uit. En dan wordt, let op let op, eindelijk onder veel gejuich en champagnegeflop bekend gemaakt dat Verse bekken! de literaire sensatie van het jaar is. Anne Vegter, de bekroonde schrijfster, komt glunderend naar voren. Tranen van blijdschap natuurlijk. Fotografen. En dan leest, als alles doorgaat, de winnares als dank voor de prijs een stukje uit het bekroonde boek voor.

Iedereen kan nu thuis zelf horen wat er dit jaar in ons land aan hoogstaande literauur is vervaardigd. En ze leest: “Heel Kort vond een meeuw op het strand. Hij droeg haar naar onze tent. 'Deze kip is mank,' zei hij. 'Ik zal haar repareren.' Hij legde de kip in een doos.

Zij piepte kort. 'Stil kip,' zei Heel Kort. 'Thuis krijg je een hok.' Heel Kort nam zijn radiootje op en draaide aan de knop. De meeuw tilde haar kop omhoog toen de radio speelde.''

Wat is er toch met de AKO-prijs dat er sinds de eerste uitreiking in 1987 elk jaar weer zoveel kabaal over moet uitbreken? Zijn de kranten jaloers op het initiatief? Voelen de critici zich gepasseerd? Dat kan het niet zijn. Het idee van een jaarlijkse prijs voor een enkel boek is geweldig. Ook in het buitenland werkt het goed. En ook daar wordt er veel gekibbeld. Maar in de omringende landen is het toch anders.

Bij de Engelse Bookerprijs wordt bijna elk jaar geruzied, en de Franse Prix Goncourt hangt nu al een eeuw lang, sinds zijn instelling, van de corruptie-schandalen aan elkaar. Maar het blijven prijzen die wat voorstellen. De Franse en Engelse prijswinnaars van vorig jaar Les champs d'honneur van Jean Rouault en Possession van A.S. Byatt zijn, met alles wat er misschien mee mis is, toch eigenlijk niet te vergelijken met het Nederlandse Karelische nachten van Louis Ferron.

Het zijn ten minste gedegen en goede boeken, waarover een discussie mogelijk is. In andere landen zou het ondenkbaar zijn om een flinterdun kinderboekje als Verse bekken! in de eindronde te laten meedingen naar de grootste literaire onderscheiding binnen het taalgebied.

Verheugend Wat is er dan aan de hand? Aan het aanbod van boeken waaruit de jury dit jaar een keus moest maken kan het ook niet gelegen hebben. De afgelopen periode zijn er meer dan genoeg titels verschenen die zonder veel bezwaren zouden kunnen meedingen naar een literaire onderscheiding. Er zijn dit jaar maar liefst 197 boeken ingezonden, en daar zat weer van alles bij, van Battus tot Bernlef, van Campert tot Chabot, van Hotz tot Van der Heijden, van Mulisch tot Mutsaers, van Moring tot Montag, van De Kuyper tot Krol, van De Palm tot Palmen.

Ook de jury zelf ontkent niet dat er dit jaar een ruime keus was. In onnavolgbaar orakel-idioom meldt het verslag: “De jury kwam gedurende het jaar - in de verheugende omstandigheid te verkeren dat zij over een veelvoud van het aantal nominaties aan werken beschikte die in aanmerking kwamen.”

Een 'veelvoud van het aantal nominaties aan werken die aanmerking kwamen': wat moet die jury gelukkig zijn geweest.

Wat is er misgegaan? Waarom zijn uiteindelijk toch zo weinig 'nominaties aan werken die in aanmerking kwamen' in de eindselectie terechtgekomen?

De grootste vergissing die is gemaakt is, vermoed ik, dat de jury (of de AKO-stichting) heeft besloten het criterium voor de te bekronen werken sterk op te rekken. De prijs mag dan nog steeds de AKO-literatuurprijs heten, volgens haar verantwoording is de jury dit jaar in de eerste plaats op zoek geweest naar 'kwalitatief hoogstaand proza'. Nadrukkelijk wordt vermeld dat men geen enkele 'tekstsoort'

'links wilde laten liggen'. Een boek van 40 bladzijden 'kon gerust' wedijveren, schrijft de jury, met een 'kanjer van 600'. Een paar verhaaltjes voor kinderen hoeven niet onder te doen voor een diep doordachte en doorwrochte roman.

Over wat literatuur precies is kan natuurlijk eindeloos gediscussieerd worden, maar dat het wat anders is dan 'kwalitatief hoogstaand proza'

zal, dunkt me, niemand die wel eens boek leest, willen betwisten. Bij literatuur gaat het, in het ideale geval, om een geschreven vorm van kunst, om gedichten en romans, experimenteel of niet, om korte verhalen of om een bepaald soort essay. Bij kwalitatief hoogstaand proza mag je daarentegen denken aan alles wat goed geschreven is, of het nu publiekstijdschriften zijn of leerboeken, kranten of gebruiksaanwijzingen voor computers, regeringsnota's of proefschriften, historische studies of reclamefolders.

KUNSTWERK

Een gevolg van deze ruime literatuuropvatting is dat nu, zonder bezwaar van de AKO-stichting, naast een kinderboek een biografie genomineerd konden worden. Gelukkig gaat het hier om een buitengewoon goede biografie. Veel beter dan wat we in Nederland op dit gebied gewend zijn. Van der Plas geeft een meeslepend beeld van een eeuw bekrompen katholiek leven in Vlaanderen. Hij heeft zich goed ingeleefd in wat Gezelle bezielde. Hij beschrijft het leven op de seminaries en de Vlaamse zendingsdrang in Engeland. Onder de zes boeken die nu zijn genomineerd heeft Mijnheer Gezelle mij misschien wel het meeste geboeid. Maar het boek wordt daarmee nog geen kunstwerk. Er zijn ook leraren en hoogleraren die in de klas of op college een buitengewoon goed en informatief verhaal kunnen vertellen. Maar dat zijn nog geen schrijvers. Zo heb je ook politici die met mooie woorden de massa's kunnen begeesteren en er schijnen ook uitmuntende dominees en pastoors te zijn die een mooie preek kunnen houden. Maar geen van hen is alleen al daardoor een literaire schrijver. Een biograaf als Van der Plas is door zijn opdracht gebonden aan een bepaalde, vaste vorm. Hij heeft in de eerste plaats tot doel kennis over te dragen. Hij moet zo ondubbelzinnig mogelijk duidelijk maken wie zijn object is en wat diens achtergronden zijn.

Een willekeurig citaat uit de Gezelle-biografie van Van der Plas om duidelijk te maken wat ik bedoel: “(Bisschop Malou) overleed op 23 maart 1864 en Faict werd aangewezen als vicaris capitularis. Het automatische recht van opvolging was door het verscheiden van Malou vervallen. Het was, in de daaropvolgende maanden waarin Rome nog scheen te aarzelen over de benoeming van een opvolger, dat een bezoeker in audientie bij de paus de vraag stelde of Faict niet de aangewezen man op de Brugse bisschopszetel was en Pius IX antwoordde: 'Oh, c'est un Faict accompli.' Dat mocht dan wel zo zijn, in werkelijkheid duurde het tot oktober tot de feitelijke benoeming afkwam. Intussen diende er toch geregeerd te worden, een kerkpolitiek gevolgd...etc. etc.”

KLOOF

Leg naast deze nette uiteenzetting van Van der Plas nu eens een even willekeurig fragment uit Advocaat van de Hanen van A.F.Th van der Heijden. Dan wordt het verschil toch meteen duidelijk. Op de roman van Van der Heijden is ook wel het een en ander aan te merken, en dat heb ik in de recensie in deze krant ook wel gedaan. Het boek is misschien wat te dik. Maar elke lezer met gevoel voor literatuur ziet welke kloof er gaapt tussen deze door de AKO-jury genegeerde roman en de gedienstige beschrijving van de Brugse bisschopsbenoeming van 1864 door Michel van der Plas.

Ook aan de lijst met inzendingen voor de AKO-prijs is te zien dat er voor een ruimere interpretatie van het begrip literatuur dit jaar geen enkele reden is geweest. Integendeel. Het was zelfs betrekkelijk eenvoudig geweest om uit de lijst uitsluitend behoorlijke romans te nomineren. Het afgelopen jaar zijn er misschien wel meer romans geschreven dan in enig eerder AKO-jaar.

De andere factor die maakt dat de AKO-prijs nooit veel gezag heeft gehad is de curieuze samenstelling van de jury. Daarvoor wordt, lijkt het, elk jaar weer een zo bont mogelijk gezelschap van literair geinteresseerden bijeen gezocht, dat vervolgens onder voorzitterschap komt te staan van een notoire buitenstaander, een bekend politicus of een zakenman.

Tot wat voor een onmogelijke complicaties deze werkwijze leidt blijkt niet alleen uit de keuzes die de jury maakt, het blijkt nu ook uit het juryverslag. Dat verwijst in nauwelijks verhulde bewoordingen naar de problemen die zijn opgekomen tijdens het voorbereiden van de beslissingen. Jury-voorzitter Bolkestein vergelijkt zichzelf in dit verband met een minister-president van een vijf partijenkabinet die zijn ministers 'op een lijn' moet zien te krijgen. Hij heeft het als zijn taak gezien de vijf juryleden uiteindelijk met een unanieme beslissing naar buiten te laten treden, en dat moet, in zijn woorden, een 'passende dosering van beginselvastheid, luisterbereidheid, flexibiliteit en grootmoedigheid' hebben gevergd.

Beginselvastheid en flexibiliteit. Als ik de namen van de vijf juryleden zie, kan ik me daar wel iets bij voorstellen. Mensen met vaste beginselen, dat is zeker, die hun beginselen desondanks ter discussie willen stellen. Mensen die hun voorkeur voor een bepaald boek na enig onderhandelen wel willen inruilen voor de voorkeur voor een ander boek. Als ze maar iets van hun idealen in het resultaat herkennen, en als daarmee de unanimiteit maar wordt gered.

STOKPAARDJE

Net als in de vorige jaren is het ook nu weer een aardig spelletje om te gissen welke stokpaardjes de verschillende juryleden hebben bereden. De biografie van de conservatieve priester-dichter Guido Gezelle zal vermoedelijk met kracht zijn voorgedragen door Wam de Moor, voormalig criticus van De Tijd en de biograaf van Van Oudshoorn.

Eindelijk weer eens een goed katholiek geluid in de literatuur, moet hij hebben gedacht, en eindelijk eens wat meer aandacht voor de biografie als serieus genre. Het humorloze Vlaamse huwelijksdrama van Patricia de Martelaere kan naar de formuleringen in het juryverslag te oordelen, alleen maar de steun hebben gekregen van de Leuvense germanist Marcel Janssens. Het verslag neemt bij de bespreking van dit boek plotseling het karakter aan van een moraaltheologisch tractaat: Patricia de Martelaere heeft 'de vluchtige intimiteit van mensen met zichzelf' onder woorden gebracht, de gelieven uit haar boek 'kunnen zich niet beschikbaar stellen voor elkaar' en 'wij krijgen te zien hoe zij de dagelijkse omgang beleven, in tegenstrijdige gevoelens en gedachten'.

De goed gedocumenteerde historische verhalen van P.F. Thomese zullen de steun hebben gekregen van de voormalige epische dichter F.

Bolkestein, die onder het pseudoniem Niels Kobet het vaderlands gevoel een steuntje in de rug gaf. Van NRC Handelsblad-criticus J.J.

Peereboom mogen we aannemen dat hij enige verwantschap voelt met de gebundelde NRC-stukken van Adriaan van Dis.

De gedetailleerde Haarlemse dorpsroddel die te vinden is in de drakerige roman van Geerten Meijsing zal wel in de smaak gevallen zijn bij de Haarlemse auteur Louis Ferron. Meijsing beschrijft in zijn boek hoe zijn alter ego jarenlang pogingen heeft gedaan om een enigszins dommig Haarlems meisje voor zich te winnen. Hij filosofeert in het boek driftig over het wezen van de liefde en het wezen van de schoonheid, maar hij wisselt de vrijwel onleesbare tractaten af met erotische beschrijvingen van het wicht. Bij dit boek krijgt het juryverslag af en toe iets van een rapport van een bureau voor huwelijks- en gezinsmoeilijkheden. Zo zou de schrijver 'liefde, ontucht en wat daarbij komt kijken' vooral intellectueeel benaderen.

Het meisje zou daarentegen 'een aardse wispelturige vrouw' zijn bij wie de man 'alle intellectuele en emotionele zeilen moet bijzetten om zijn liefde voor haar te laten passen binnen het elitaire denk- en leefpatroon dat hij voor zichzelf heeft opgezet'.

Het enige boek dat ik eigenlijk niet bij voorbaat bij een van de juryleden kan onderbrengen is het kinderboek Verse bekken! Op grond van de formuleringen in het jury-verslag ('permanent leesgenoegen') gok ik voorlopig maar op Wam de Moor omdat die in het dagelijks leven literatuurdidacticus is.

VERGELIJKEN

Waarom moet het toch altijd zo droevig aflopen met een zo leuke prijs?

Want dat het idee van een AKO-prijs heel aardig is, staat voor mij nog altijd vast. Een jaar lang geven uitgevers, critici en lezers hun oordeel over individuele boeken, en aan het eind, een keer per jaar, wordt in het openbaar de stand van zaken opgemaakt. Er wordt nagegaan wat er in de voorafgaande periode allemaal voor moois verschenen is en voor een keer geeft iedereen die daar zin in heeft zich over aan het vergelijken. Wat zijn de boeken die zijn verschenen? Waar gingen deze over? Wat is de beste roman, en waarom? En wie is in de onderzochte periode de beste schrijver gebleken?

Als Nederland niet in 1993, maar al in oktober van dit jaar een presentatie zou moeten verzorgen op de Frankfurter Buchmesse, zouden we dan de recente nominaties voor de AKO-prijs niet zorgvuldig geheim willen houden? Welk beeld zou het buitenland op basis van de nu gepubliceerde groslijst niet kunnen krijgen van de hedendaagse Nederlandse literatuur?

Sommige boeken zijn mooier dan andere boeken, dat is het wezen van een prijs als de AKO-prijs. Maar waarom worden er niet zes mooie boeken genomineerd? Mijn keuze uit de lijst van zes: Het beloofde land van Adriaan van Dis en Zuidland van P.F.Thomese. Dat zijn tenminste boeken die je van het begin tot het einde geboeid blijft lezen. Ze zijn knap geconstrueerd zonder dat de constructie al te veel zichtbaar wordt. Ze zijn beheerst geschreven, geen van beide bevat een zin teveel. En ze getuigen van een bepaalde visie op het verloop van de geschiedenis, zonder dat die al het verhaal overheerst.