Herinneringen van Kingsley Amis; Voor vriendjes

Kingsley Amis: Memoirs. Uitg. Hutchinson. Prijs (f) 65,60.

Als een bekende schrijver - iemand die veel op de tv is verschenen, literaire lunches heeft bezocht, iemand die iedereen kent - zijn memoires schrijft, wordt de aanwezigheid van een index bij zo'n boek op prijs gesteld. Zeker als de auteur bepaald niet om zijn mildheid bekend staat. Lezers zowel als critici branden van nieuwsgierigheid wat hij over deze of gene collega, politicus of journalist te zeggen heeft: krijgt X een veeg uit de pan? Noemt hij Y nog? Het zijn de krenten in de pap van herinnering.

Het is typerend voor Kingsley Amis dat hij zijn memoires niet slechts voorzien heeft van een index, maar bovendien de verhouding tussen pap en krenten heeft omgedraaid. Het boek gaat vrijwel uitsluitend over anderen; hij noemt het zelf dan ook meer een allo-, dan een autobiografie. Simpelweg op naam gerubriceerd, worden oude vrienden en oude vijanden, mensen die Amis nauwelijks en anderen die hij heel goed kent of heeft gekend 'behandeld'.

Veel hoofdstukjes zijn met geen mogelijkheid anders te typeren dan als borrelpraat. Een belangrijk bezwaar daartegen is dat een anekdote die onder het genot van een stevige whisky amusant en vrij onschuldig lijkt, in gedrukte vorm wel eens kwaadaardig, of erger, onbenullig kan worden. Vooral de combinatie van beide is vervelend. Amis' twee echtgenotes, zijn waarschijnlijk talrijke geliefden en zijn kinderen van wie er een, Martin, zelf een succesvol schrijver is geworden, komen nauwelijks in het boek voor. Hij wilde, schrijft Amis in het voorwoord, niemand (nog meer) pijn doen die 'emotionele aanspraken' op hem kan doen gelden. Maar ook over zichzelf, als mens en als schrijver, laat hij weinig los. Want, zegt hij, wie zou er nu willen lezen over hoe hij, Amis, het een of andere boek verzon of schreef, hoe hij over recensies, verkoopcijfers of vertalingen dacht, of waar hij de zomervakantie van 1959 doorbracht? Dat zou de lezers toch slechts vervelen?

Dat is op zichzelf een respectabel standpunt. Je moet nooit iets opschrijven waarvan je denkt dat het de mensen zal vervelen, en als een schrijver die regel in zijn romans met vrucht heeft toegepast, dan is het Kingsley Amis. Zijn proza kent geen longueurs. Nooit zal hij hameren op iets wat hij ook met een licht tikje op zijn plaats kan zetten. Dat hij zo werkt heeft ongetwijfeld te maken met een ingewortelde afkeer van, om niet te zeggen angst voor verveling die hij zelf heeft.

Die laatste karaktertrek spreekt duidelijk uit dit boek. Maar de lezer voor iedere verveling te behoeden - en zeker de lezer die met het Engelse literaire wereldje weinig op heeft - is hem in dit geval toch niet helemaal gelukt. Dit blijven verhalen, bedoeld voor vriendjes, die getuigen van de Amisiaanse wereldvisie van 'wij' en 'zij', de chums en de enemy, waar wij een beetje buitengesloten worden.

AMERIKA

De aardigste hoofdstukken zijn eigenlijk die waar Amis dat Engelse wereldje heeft verlaten: als hij schrijft over Wales bij voorbeeld, waar hij van 1949 tot 1961 literatuur doceerde aan de universiteit van Swansea. Of over zijn twee verblijven in de Verenigde Staten. Hij zou het, schrijft hij, nooit bij die twee bezoeken (allebei gastdocentschappen aan universiteiten) hebben gelaten als hij niet zo bang was om te vliegen. Amis, de brommerige, blase Brit, vond het in Amerika namelijk prettig. Dit ondanks hinderlijke bijkomstigheden die je er ontmoet zoals de Amerikaanse anglofiel, de boeken van Bellow en Nabokov, en het alomtegenwoordige racisme dat, naar zijn verslag te oordelen, het verblijf aan Vanderbilt University in Nashville, Tennessee, behoorlijk vergalde. Maar Amerikaanse studenten bij voorbeeld, en Fifth Avenue krijgen zijn goedkeuring.

Dat hij niet meer vertelt over die boeken en die zomervakanties - vooral het eerste natuurlijk - blijft een groot gemis. Lucky Jim komt even voor in een van de meest lezenswaardige aan personen gewijde hoofdstukken, dat over Amis' vriend de dichter Philip Larkin. We krijgen te horen hoe Larkin in 1950 uit een eerste versie van Lucky Jim hele bossen personages schrapte 'die ik in het verhaal had gegoten zonder acht te slaan op de handeling: de plaatselijke magnaat Sir George Wettling, de cricketminnende Philip Orchard, de levendige Amerikaanse bezoeker Teddy Wilson.' Drie figuren die uit Lucky Jim zijn gewied - een onthulling voor de Dixon-fan.

Een hoofdstukje dat 'Shrinks' heet gaat over Amis' ervaringen met psychiaters, waarvan hij er, ondanks zijn afkeer van deze beroepsgroep, toch verscheidene blijkt te hebben geraadpleegd, vooral vanwege zijn fobieen. Dat is weer wetenswaardig in verband met boeken als The Green Man, waarin een drankzuchtige, rokkenjagende doch ontwikkelde restauranthouder spoken ziet, of Stanley and the Women, of Jake's Thing, waarin shrinks ook belangrijke rollen spelen.

Zo is er voor Amisbewonderaars wel van alles uit deze Memoirs te halen. Misschien dat de een of ander onder hen zelfs graag wil lezen wat hij over Margaret Thatcher (die hij bewondert) te melden heeft, of over vage figuren die eerst aardig lijken en dan toch weer tegenvallen, veelal omdat zij wel erg vaak geen geld bij zich blijken te hebben als er een rondje betaald moet worden. Maar voor de rest van de wereld blijven dat toch krenten die je graag zou hebben gemist, in ruil voor wat meer persoonlijke pap.