GMD: 'Detam maakt grote denkfout'

DEN HAAG, 5 APRIL. Nog voordat de patient is overleden dansen de nabestaanden al op het graf. De patient is de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) en de nabestaanden zijn de staatssecretaris van sociale zaken en de verschillende bedrijfsverenigingen.

Vorige maand al zette staatssecretaris Ter Veld met een brief aan de Tweede Kamer de toon door onomwonden te pleiten voor opheffing van de GMD en deze week uitte de bedrijfsvereniging voor de detailhandel, ambachten en huisvrouwen (Detam) scherpe kritiek op het functioneren van de GMD.

Aan de hand van een zelf gehouden enquete constateerde de Detam dat de rol van de GMD bij het bemiddelen of herplaatsen van langdurig ongeschikten van nul en generlei waarde is. Arbeidsongeschikten, zo fulmineerde de Detam, slagen er acht keer zo vaak in zelf nieuw werk te vinden bij een ander bedrijf als door bemiddeling van de GMD.

Directeur W. Boersma van de GMD hapte even naar adem, maar mepte vervolgens terug: “Het lijkt erop dat de Detam ons onderuit wil halen, maar aan een broederstrijd hebben we geen behoefte”.

Het gaat wel om een rijke broer. Via de GMD kan toegang worden verkregen tot de WAO met zo'n 860.000 uitkeringsgerechtigden, 13,6 procent van de beroepsbevolking, en jaarlijks goed voor meer dan 21 miljard gulden.

De GMD claimt in het jaarverslag over 1989 dat de dienst voor ruim 38.000 arbeidsongeschikten met succes heeft bemiddeld. Uit het nu gehouden onderzoek van de Detam blijkt dat bijna dertig procent van deze 'reintegraties' tot stand zijn gekomen door de arbeidsongeschikte of de werkgever zelf. Voor de Detam voldoende reden voor de conclusie dat de GDM slecht functioneert.

Boersma is het daar niet mee eens: “De Detam maakt een grote denkfout. Niemand zal ooit weten wie de client het laatste stootje heeft gegeven om weer aan de arbeid te gaan. Vast staat dat wij de 93.000 mensen die wij in 1990 hebben gezien, in een scholingssituatie hebben gebracht, hebben geholpen met solliciteren of met hen een of twee indringende gesprek hebben gehad. Daar komt bij dat het altijd nog zo is, en dat zeggen we ook tegen de clienten, dat het uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de werkzoekende is om weer aan het werk te gaan. Wij hebben vorig jaar 40.000 mensen aan het werk geholpen, 15.000 daarvan hebben we bij andere bedrijven weten te plaatsen dan waar ze vandaan kwamen. Met onze 1.600 medewerkers vind ik dat geen slechte score”.

Op de achtergrond van deze stekeligheden over en weer speelt de discussie over de reorganisatie van het hele uitvoerende veld van het sociale-verzekeringswezen. Over twee weken zal in de Tweede Kamer worden gesproken over de eerdergenoemde notitie van staatssecretaris Ter Veld. In die notitie wordt voorgesteld de GMD-taken over te brengen naar een nieuw op te richten instelling - het gemeenschappelijk bestuursorgaan (GBO) - met in het bestuur de gezamenlijke bedrijfsverenigingen. Doel is voornamelijk, en dat is ook een van de hoofddoelstellingen van dit kabinet, het stoppen van de groei en vervolgens het verminderen van het aantal arbeidsongeschikten. Het idee is de taken van de GMD - het beoordelen en bemiddelen van langdurig arbeidsongeschikten - dichter bij de bedrijfsverenigingen te brengen en dus onder leiding van de werknemers en werkgevers.

Allemaal goed en wel, meent Boersma, maar het raakt niet de kern van het probleem: “Eerst moet je vaststellen wat je precies wil en daar moet je de organisatie op aan laten sluiten. Op dit moment spelen die twee discussies door elkaar heen. Iedereen heeft het over het terugdringen van het ziekteverzuim en de duur daarvan. Gesproken wordt over het uitbreiden van de bedrijfsgezondheidszorg van veertig naar honderd procent. Met andere woorden: versteviging van de arbeidsorganisatie met de medische dienst als stevige ondersteuning van het management. Voorts praat iedereen over het nu eindelijk handen en voeten geven aan de Arbeidsomstandighedenwet (Arbo). Allemaal maatregelen die de duur van het ziekteverzuim kunnen terugdringen.

Door eerder in te grijpen en niet, zoals nu, te wachten tot iemand een half jaar ziek is en de gang naar de WAO bijna onvermijdelijk is geworden''.

De stelling van Boersma is duidelijk: als de Tweede Kamer het voorstel van Ter Veld zou volgen om de GMD over te hevelen naar de bedrijfsverenigingen, blijft het terugdringen van het ziekteverzuim veel te veel een verantwoordelijkheid van instanties die buiten de arbeidsorganisatie liggen. Dan blijft bovendien het gevaar op de loer liggen dat na pas enige weken of maanden wordt gekeken naar de werknemer die ziek is geworden en die in de WAO dreigt te belanden.

Ook blijft onduidelijk hoe een zieke of gedeeltelijk gehandicapte werknemer die niet meer in zijn eigen bedrijf kan terugkeren, nog bemiddeld kan worden naar een ander bedrijf, zonodig buiten de eigen sector.

Ten slotte meent Boersma dat ook eerst duidelijkheid moet worden geschapen over wat in kabinetskringen steeds luider hoorbaar is: de eerste zes weken ziekte door de werkgever laten betalen met twee wachtdagen en het recht op WAO koppelen aan de tijd dat iemand heeft gewerkt.

“Pas als op al deze vragen een helder antwoord is gekomen -in weleke richting dan ook - kun je gaan kijken hoe de uitvoerders van de wet met hun organisatie daar op aan kunnen sluiten. En niet andersom, zoals nu dreigt te gebeuren.”