Geweld, tederheid en eenzaamheid in Zwarte bloesem

Produktie: Zwarte Bloesem. Choreografie: Truus Bronkhorst. Muziek: Louis Andriessen, Beethoven, Brown, Satie, Shepp en The Stranglers; kostuums: Carla Kienhuis; licht: Kees van de Lagemaat. Gezien: 4-4 Felix Meritis Amsterdam. Daar nog te zien t-m 13-4 (met uitzondering van zondag en maandag). Eerstvolgende voorstellingen: 18- 4 Enschede, 19 en 20-4 Haarlem, 24-4 Zaltbommel, 25-4 Leiden, 26 en 27-4 Eindhoven, daarna tournee.

Truus Bronkhorst, de eigenzinnige, altijd fascinerende eenlinge in de Nederlandse danswereld, heeft met haar nieuwste produktie Zwarte Bloesem heel verrassend het solopad verlaten. zij omringt zich met drie jonge zwarte mannen van Surinaamse origine. Zij hebben geen professionele dansopleiding gevolgd, maar de dans zit hen overduidelijk in het bloed en het lijf.

Dat leverde interessante en prikkelende tegenstellingen op. De ontwapende jeugd en de ongepolijste vitale dansdrift van Giovanni Adriaan, Adolf Lisand en Cliff Rijssel vormen van nature al een fiks contrast met de intensiteit van de oudere Bronkhorst, die tot in de uiterste vezels van haar doortrainde lichaam gespannen is. Toch was er een opmerkelijke eenheid in het creeren van sfeer en in het uitdrukken van de thema's die Bronkhorst in Zwarte Bloesem verwerkt: geweld, tederheid, schoonheid, droefenis, eenzaamheid en verbondenheid.

Tegen een achtergrond van een enorme Amerikaanse vlag in zwart-wit presenteert de in een strak tricot geklede Truus Bronkhorst zich als een symbool van gruwelijke, meedogenloze macht. De vingers van een hand worden voorzien van zwarte knijpers en zo wordt die uitgespannen hand tot een klauw, een pistool of een dwingende richtingwijzer die slechts rechte, strakke lijnen kent die de ruimte doorsnijden en alles zullen splijten dat de weg verspert. Met een subtiele verandering staat daar plotseling een trotse Spaanse dame en wordt de klauw een waaier.

De opkomst van de drie mannen vormt de overgang naar drie prachtig opgebouwde duetten waarin drie stadia van ontluikende liefde aan bod komen. In het eerste is er nauwelijks meer dan een schuchter oogcontact. In het tweede gaat het koppel iets verder en loopt men hand in hand. En in het derde duet kreeg de vertrouwensrelatie een gerijpter karakter. In een volgend fragment huppelen en springen de mannen als drie zwarte lammetjes door een net ontdekte wei met de op de achtergrond een tevreden toeziende Bronkhorst die zich later bij het tot rust gekomen en verstilde drietal voegt. Zacht wiegt zij zwarte rozen als een baby in haar armen.

Maar babies worden groot en de rozen worden verwisseld voor geweren en het onschuldig, harmonieus spel verandert in benauwende angst.

Nogmaals is er een fragment waarin de mannen zich uitleven in opzwepend, uitbundig dansplezier dat abrupt door een val wordt beeindigd. Waarna Truus Bronkhorst een indringende solo danst die het karakter heeft van een heroische klaagzang.

Veel van Bronkhorsts bewegingsmateriaal is inmiddels vertrouwd, zoals de lang uitgerekte poses die door de intensiteit, kracht en schoonheid uitstralen. Maar de manier waarop die bewegingen in Zwarte Bloesem zijn verwerkt, is toch weer anders. De voorstelling is vooral boeiend door de variatie in scherp getekende sfeer en de verfrissende inbreng van de zo volstrekt anders geaarde mannen. Het is bijzonder knap hoe Truus Bronkhorst haar zeer persoonlijke en specifieke kwaliteiten heeft weten te integreren met die van haar partners. En hoe zij hun kwaliteiten heeft herkend en een evenwaardige plaats heeft gegeven.