Frankrijk worstelt met probleem van de 'hete getto's

PARIJS, 5 april - In Cite des Indes, de probleemwijk van Sartrouville, de Parijse voorstad waar vorige week hevige rellen uitbraken nadat een negentienjarige jongen was doodgeschoten door de bewaker van een supermarkt, is de rust terug.

's Avonds is de Cite des Indes weer het domein van de jeugd die zich verveelt, drugs gebruikt, ruzie maakt met de politie en rondhangt bij de heropende cafetaria van de Euromarche waar het dodelijke incident plaatshad.

De 6.600 inwoners van de wijk aan de rand van de gemeente huizen in 2.000 hoogbouwwoningen uit de jaren zestig die zich in een bedroevende staat van verval bevinden. De bevolking bestaat voor driekwart uit immigranten, merendeels afkomstig uit Algerije, Marokko en Tunesie. De grasvelden tussen het beton zijn pokdalig. De trappenhuizen, die al jaren niet meer zijn onderhouden, zijn 's avonds de schamele tempels voor drugs en rapmuziek. Van de scholieren haakt 35 procent voortijdig af, ze vormen het potentieel voor de kleine en grote criminaliteit die hier welig tiert.

Sartrouville, een gemeente met 50.000 inwoners ten westen van Parijs, is na de uitbarsting van geweld van vorige week ingeschreven op de lijst van 'hete getto's' waar bendes 'casseurs' (brekers), afkomstig uit de 'banlieu', bij incidenten opduiken zoals in Nederland bepaalde groepen voetbalsupporters bij bepaalde wedstrijden. Maar de statistieken - 3.000 misdrijven in Sartrouville in 1989 - vormen evenmin als de gemakkelijke kwalificaties als 'heet getto' de verklaring voor de problemen die de 'banlieus' van Parijs, Lyon, Marseille en andere grote Franse steden kennen.

De banlieu (voorstad) is geen homogeen fenomeen. Maisons Lafitte, een welvarend stadje aan de andere kant van de Seine, pal tegenover Sartrouville, behoort ook tot de banlieu. Maar Maisons Lafitte kent niet de goedkope sociale woningbouw die in Sartrouville is opgetrokken. De Cite des Indes is een relatief geisoleerde planologische, en misschien wel - Sartrouville had dertig jaar een orthodox-communistische burgemeester - ideologische, vergissing zoals er zo veel in de jaren zestig en zeventig zijn gemaakt: een verzameling mensenpakhuizen waarin onvermijdelijk de meest kansarmen terechtkomen.

Bij de 'hete getto's' gaat het vaak om wijken met een groot percentage inwoners van Noordafrikaanse herkomst, maar niet altijd: in Mas-de-Taureau, de wijk in Vaulx-en-Velin bij Lyon die vorig jaar oktober het decor was voor een uitbarsting van geweld die Frankrijk schokte, is niet zeventig maar dertig procent van de bewoners uit Noord-Afrika afkomstig. Evenmin gaat het altijd om wijken die geisoleerd zijn van scholen en vermaak: van Sartrouville is het maar 20 minuten met de snelle RER-trein naar het centrum van Parijs.

De getto's - een term die in Frankrijk veelal te onpas wordt gebruikt - hebben als belangrijkste overeenkomst dat ze representatief zijn voor de armoede in Frankrijk. Het gaat om wijken met weinig voorzieningen, bewoond door Fransen en immigranten die veelal werkloos zijn (percentages van dertig procent komen veel voor), in slechte woningen huizen met te veel mensen in te weinig kamers, en met een jeugd die vroegtijdig scholen en opleidingen verlaat en tot ledigheid gedoemd is. En het oorkussen waarop de duivel hier slaapt bevat drugs.

Sinds het begin van de jaren tachtig hebben achtereenvolgende regeringen het 'kwaad van de banlieus' bestreden, meestal met de instelling van commissies ad hoc en de benoeming van een 'Monsieur Getto'. In 1983 zag het project Banlieus 89 het licht op initiatief van twee architecten, Roland Castro en Michel Cantal-Dupart, die verkondigden “dat steden net als mensen morgen moeten strijden om het bestaan”. In vier jaar tijd werden 127 projecten aangepakt, met wisselend succes. De staat en de lokale overheden geven thans jaarlijks zes miljard franc uit voor ruimtelijke ordening, maar de fouten uit het verleden kunnen niet snel ongedaan worden gemaakt.

Na de geweldsexplosie in Vaulx-en-Velin in oktober, die een traumatisch effect had, nam president Mitterrand het heft in handen.

Hij gaf zichzelf vier jaar, dus tot het eind van zijn termijn als staatshoofd, om de “politiek van de stad” te doen slagen. Op een soort staten-generaal van de banlieus in Bron, op een steenworp afstand van Vaulx-en-Velin, zei de Franse president vorig jaar november: “Samenlevingen zijn in staat gebleken de onvolmaakte erfenis te overwinnen die hun is nagelaten. De vraag is of Frankrijk dit voorbeeld kan volgen.”

Om de “eenheid van commando te verzekeren” (Mitterrand) kent de Franse regering sinds enkele maanden een minister voor de stad. Michel Delebarre, een vertrouweling van Mitterrand, heeft de opdracht alle acties te coordineren. Wat daaronder verstaan moet worden legde premier Michel Rocard uit tijdens een principieel debat in december in de Nationale Assemblee, de Franse kamer van afgevaardigden. De “demarche” van de regering is gebaseerd op enkele “grote principes”, aldus Rocard: alle oorzaken van de 'exclusion' (het niet deel hebben aan) zullen tegelijkertijd worden aangepakt, onderwijs, beroepsopleiding, huisvesting enzovoort. De decentralisatie zal worden gerespecteerd opdat burgemeesters en gemeentebesturen hun verantwoordelijkheid kunnen waarmaken. De betrokken bewoners zullen bij de acties betrokken worden. En ten slotte gaat het om een duurzame actie die niet maanden maar jaren in beslag zal nemen.

De “politiek van de stad” van de regering-Rocard richt zich in de eerste plaats op de 400 zorgvuldig geidentificeerde “moeilijkste wijken en gemeenten”, vrijwel alle gelegen in de banlieus van de grote steden. Minister Delebarre heeft twee wetsontwerpen het licht doen zien die een nieuwe “financiele solidariteit” tussen gemeenten beogen, dat wil zeggen overdracht van geld van rijke naar arme gemeenten. Een wet regelt een dergelijk mechanisme op nationale schaal, de tweede heeft betrekking op het Ile de France, de regio rondom Parijs die met ruim negen miljoen inwoners bijna een kwart van de totale Franse bevolking herbergt. De uitgestrekte banlieu rondom de hoofdstad kent talloze wijken zoals de Cite des Indes in Sartrouville.

Met deze solidariteit is dit jaar circa 700 miljoen franc gemoeid en in 1992 1,5 miljard franc. De twee wetsontwerpen zullen waarschijnlijk - de procedure is nog niet afgesloten - in geamendeerde vorm door het parlement worden goedgekeurd.

Sartrouville kan dankzij de wet-Delebarre 7,8 miljoen franc per jaar extra tegemoetzien, wat meer is dan de gebruikelijke druppel op een gloeiende plaat. Maar de burgemeester van deze gemeente, die 9.000 immigranten van 84 verschillende nationaliteiten telt, gelooft dat de kern van alle problemen in zijn eigen Cite des Indes niet in de eerste plaats is gelegen in de armzalige huisvesting, de slechte scholing van de jeugd of het wegvallen van het ouderlijk gezag in de immigrantenmilieus, maar in de illegale immigratie.

Burgemeester Laurent Wetzel, een 41-jarige centrumpoliticus, veroorzaakte direct na zijn aantreden in 1989 een rel door zijn weigering vergunningen af te geven voor kinderen van immigranten die tijdelijk op bezoek komen. Wetzel: “Een burgemeester heeft geen enkele mogelijkheid om na te gaan of deze kinderen als toerist komen (ze mogen dan maximaal drie maanden blijven) of voorgoed blijven.”

Jaarlijks worden in Frankrijk 700.000 bezoeken van immigranten uit Noord-Afrika geregistreerd en iedereen weet, zegt Wetzel, “dat dit de poort is voor de illegale immigratie”.

Veel Fransen geven hem gelijk, maar de regering gaat dit politiek zeer omstreden vraagstuk vooralsnog uit de weg. Het uiterst-rechtse Front National van Jean Marie Le Pen vraagt al jaren om stopzetting van alle immigratie en om terugzending van immigranten die niet in Frankrijk integreren. Maar ook de hoofdredacteur van de goed-burgerlijke Figaro, Franz-Olivier Giesbert, wijst erop dat de “ziekte van de banlieus in de eerste plaats veroorzaakt wordt door de immigratie”. Giesbert in een recent hoofdartikel: “In de Verenigde Staten, kampioen van de open grenzen, is 6 procent van de bevolking van vreemde afkomst. In Frankrijk 11 procent. Bijna het dubbele. Hoe kan men dan verbaasd zijn dat de steden soms branden?”