Een vreemdeling in Jeruzalem

“Toen ik zelf ging schrijven”, aldus Jan Wolkers in zijn pas verschenen essaybundel, “schreef men dat ik om zo'n gaaf verhaal te kunnen schrijven, vele jaren in stilte geoefend moest hebben.

Niets was minder waar, maar ik liet het maar zo. Hoe had ik kunnen uitleggen dat mijn voorbereiding op het schrijverschap eigenlijk al prenataal een aanvang had genomen. Dat ik tot mijn zeventiende jaar, toen ik het ouderlijk huis verliet, niet zozeer gesticht was door een heilsboodschap als wel onderwezen in de wetten van dramaturgie, poezie en dialoog. Dat de kennis van de mens me met de paplepel in gegoten was. En dat ik, nog voordat mijn eerste baardharen doorkwamen, al alles afwist van incest, sodomie, broedermoord, het gruwelijkst bedrog en het verachtelijkste verraad.''

Dank zij de Bijbel.

De Leeuw van Texel heeft weer eens goed gebruld. Inderdaad, als er Iemand, behalve hijzelf, recht heeft op de P.C. Hooftprijs, is het wel de eindredacteur van de Heilige Schrift. Karel van het Reve moge ooit de staf hebben gebroken over 'de ongelofelijke slechtheid van het Opperwezen', Hij was, al Zijn schurkenstreken ten spijt, een zegen voor kunst en cultuur.

Mijn vriend M. P. te A. gaat prat op het feit dat hij al zijn leven nog nooit de Bijbel ter hand heeft genomen. Waarom zou hij? Hij is orthodox-ongelovig opgevoed en dan heb je aan het Woord geen boodschap.

Terwijl een verstandige omgang met het Woord onmisbaar voor een ieder die professioneel met woorden worstelt. De schrijver die de pech heeft zonder God & Gebod te zijn opgegroeid heeft per definitie een artisitieke en intellectuele achterstand. Hij is een vreemdeling in het Jeruzalem van het Oude en Nieuwe Testament, een kleurrijk milieu waarin noest met andermans kalf wordt geploegd en ijverig de verzenen tegen de prikkels worden geslagen. Hij begrijpt geen tittel of jota van de vraag waarom het zaliger is te geven dan te ontvangen, hoezeer hij ook naar de vleespotten van Egypte hunkert. Hij is en blijft gewogen en te licht bevonden. Al wordt hij zo wijs als Salomo, al wordt hij zo oud als Methusalem, nooit zal hij weten waar Abraham de mosterd haalt.

Want de Bijbel is in woord en beeld de slagader van onze cultuur, althans in de periode dat de godsdienst nog het leven domineerde en wereldse thema's (kroningen, veldslagen en mythologische halsafsnijerijen niet te na gesproken) uit den Boze waren. De kunstenaars dichtten, componeerden, schreven en schilderden voornamelijk voor God, en Zijn getabberde zetbazen op het ondermaanse hielden hen daarvoor in ruil in leven.

Aan de kassa van de meeste internationale musea zijn tegenwoordig veel kostelijk uitgevoerde catalogi verkrijgbaar. Negeer ze. De beste wegwijzer is en blijft de Bijbel, het boek waarop driekwart van het gebodene is gebaseerd. De man of vrouw die niets met de Schrift te maken wil hebben, voelt zich in het museum als een analfabeet in de Koninklijke Bibliotheek. Godzijgeloofd ben ik niet christelijk opgevoerd, en godzijgeloofd hebben mijn opvoeders mij niettemin (voornamelijk uit gemakzucht) in de zondagsschool geparkeerd.

Dank zij deze daad van wijs beleid zijn de meeste van al die kleurrijke bijbelfiguren vertrouwde kennissen van me geworden. De heldhaftige Esther die, samen met haar oom Mordechai, de joden redde uit de klauwen van de boze Haman. Judith, die de bronstige Holofernes het hoofd van de romp heeft gescheiden. Josef, die zich net op tijd uit de armen van de sexmaniakale vrouw van Potifar wist te bevrijden.

Ik keek in de Alte Pinakothek de ogen uit op Albrecht Altdorfers 'Susanna door de ouderlingen bespied'' - en ergerde mij. In mijn hoogmoed had ik gedacht dat de Schrift langzamerhand geen geheimen meer voor mij had. Niettemin wist ik dit keer bij God niet wie de betreffende Susanna was, zodat ik plotseling op hetzelfde ontwikkelingsniveau als mijn medemuseumgangers was teruggeworpen.

Thuisgekomen ploegde ik de beide Testamenten door. Waarom hebben die boeken nooit een behoorlijk namenregister? Ik vond het verhaal uiteindelijk bij de apocriefen. Susanna, was de wonderschone vrouw van de rijke Joakim. Zij werd door twee joodse notabelen begluurd, toen zij in de tuin door haar kamenierster werd gewassen. De ondergeschikte verdween in het paleis om enig reukwerk te halen. En die twee notabelen stortten zich op de nog steeds halfontblote Susanna en wensten haar te 'bekennen', wat een buitengewoon kuis woord is voor iets hoogst aanstootgevends. Was Susanna niet willig, dan - zo dreigde het tweetal - zouden haar belagers zweren dat zij zich onder de lathirus aan de lusten van een jongeman had overgegeven. Enfin, Susanna stond pal, de notabelen pleegden hun meineed, de verdachte werd ter dood veroordeeld, totdat gelukkig Daniel ingreep, een man die je niets wijs behoefde te maken.

Hij onderwierp de leugenaars aan een derdegraadsverhoor, waarbij zij getweeenlijk door de mand vielen. Susanna werd vrijgesproken. Haar belagers stierven de dood die haar was toegedacht: zij werden gestenigd.

Een prachtig verhaal. Zo vond ook Handel, die een oratorium over deze affaire componeerde. En zo vonden Rembrandt en Tintoretto, Jordaens, Van Dyck en Artemesia Gentileschi, kunstenaars die zich eveneens met vrucht door de kuise Susanna hebben laten inspireren. Zonder de Schrift en Hare Apocriefen hadden zij voornamelijk bloempotten en lantaarnpalen getekend.

De verzwagering tussen kerk en kunst duurde zo ongeveer tot de tweede helft van de negentiende eeuw. Het mecenaat verwereldlijkte en de artist had - thematisch gezien - inmiddels belangrijker dingen aan het hoofd dan het brandend braambos en de arenlezers achter de maaiers.

Tegenwoordig is de kunstenaar die het Opperwezen in woord, kleur of klank wenst te bejubelen een curiosum, een Rien Poortvliet of een Jo van Dorp-Ypma, afsnijsels van de EO of de Evangelisch-Apostolisch-Vrijgemaakte Kerkbode van de classis Oud-Vossemeer.

Zij preken exclusief voor eigen parochie, die overigens nog genoeg gelovigen telt om hun een behoorlijke boterham te garanderen. Maar artistiek gezien is God dood en met Hem al diegenen die ooit met vrucht voor Hem schreven en dichtten, Zijn tweedelige meesterwerk illustreerden en voor Hem hun klankkathedralen bouwden.