Deregulering, een nieuwe politieke wind in Jakarta

JAKARTA, 5 april - De aanloop naar de Indonesische parlementsverkiezingen van 1992 wordt steeds interessanter. Niet alleen de komst van twee nieuwe oppositionele bewegingen, ook een verschuiving in de interne verhoudingen binnen het machtssysteem belooft veranderingen in de richting van meer democratie. Golkar, de regeringpartij, kan namelijk niet langer rekenen op een voorkeursbehandeling van het leger.

De minister van defensie heeft het over “politieke deregulering”, de chef-staf van het leger garandeert “neutraliteit van de strijdkrachten” en een voormalig hoofd van de staatsveiligheidsdienst spreekt van een “ontvlechting van leger en regeringspartij”. De militairen vinden dat Golkar - hun eigen creatie, die zij na 1965 aan de macht hielpen - op eigen benen moet staan.

Tijdens een onlangs gehouden receptie vroeg een academicus aan een lid van het Golkar-bestuur: “Denken jullie dat jullie deze keer zonder trucs de verkiezingen kunnen winnen?” Waarop de Golkar-bons antwoordde: “Beste man, die trucs zijn helemaal niet nodig. De mensen stemmen toch op dezelfde partij als bij de vorige verkiezingen”. Een jaar voor het officiele begin van de campagne is de naderende stembusstrijd al onderwerp van politieke speculaties.

Hoogwaardigheidsbekleders laten niet na te onderstrepen dat er deze keer geen “trucs” aan te pas zullen komen. Generaal b.d. Rudini, minister van binnenlandse zaken en tevens voorzitter van het Nationale Verkiezingscomite, drukt gouverneurs, regenten, districts- en dorpshoofden de laatste maanden regelmatig op het hart dat de drie politieke partijen die in 1992 mogen meedoen een gelijke behandeling moeten krijgen. Behalve Golkar zijn dat de Democratische Partij van Indonesie (PDI) en de Eenheidspartij voor Ontwikkeling (PPP).

Bij de laatste verkiezingen, in 1987, kreeg Golkar 73 procent van de stemmen, de PPP 16 en de PDI 11 procent. Rudini suggereert dat die uitslag niet zonder ambtelijke tussenkomst tot stand kwam.

Tijdens een recente ontmoeting met districts- en dorpshoofden op het eiland Bali hield Rudini zijn gehoor voor hoe het niet moet. Een camat (districtshoofd) had hem verteld dat hij strenge maatregelen zou nemen tegen mensen die hij ervan verdacht dat ze bij de komende verkiezingen op andere partijen dan Golkar zouden stemmen. “Deze man wilde me kennelijk laten zien dat hij een ambtenaar met verantwoordelijkheidsgevoel was”, aldus de minister. “Welnu, een goed bestuurder trekt geen enkele partij voor.”

Vorige maand meldde de bewindsman dat de regering geen stappen zal ondernemen tegen gouverneurs in wier provincie Golkar geen absolute meerderheid haalt. Hij wilde echter niet uitsluiten dat de partij - van wie alle gouverneurs uit hoofde van hun functie lid zijn - in dat geval stappen zou ondernemen.

Die mededeling leidde tot enige verwarring: sprak hier de minister die zijn gouverneurs opdracht gaf strikte neutraliteit te betrachten, of het kaderlid van Golkar dat zijn partijgenoten met sancties dreigde in geval van een electorale nederlaag? Rudini liet dat in het midden: “Als minister en voorzitter van het verkiezingscomite ben ik verplicht de wet te handhaven en eerlijke verkiezingen te garanderen.

Maar als lid van Golkar kan ik mijn huisbedienden vragen op die partij te stemmen''.

Establishment Het antwoord op de vraag naar Rudini's loyaliteit ligt waarschijnlijk elders. Behalve minister en kaderlid van Golkar is hij als gepensioneerd generaal ook lid van het militaire establishment. Binnen de ABRI, de Indonesische strijdkrachten, begint men enige afstand te nemen van Golkar, ooit het petekind van het leger.

Golkar ontstond in 1964, toen de Indonesische politiek werd beheerst door de gespannen driehoeksverhouding tussen het leger, de communistische PKI en president Soekarno. Het was aanvankelijk een samenwerkingsverband van enkele anticommunistische beroepsorganisaties en kreeg bij zijn oprichting steun van de strijdkrachten. Na de mislukte coup van linkse kolonels in 1965 nam het leger de feitelijke macht en schoof het Golkar naar voren als een soort anti-partij. De politieke partijen die overbleven na de bloedige liquidering van de PKI waren in militaire ogen alle “besmet” tijdens de Soekarno-periode, toen samenwerking met communisten als acceptabel gold. Golkar werd de hoeksteen van Soeharto's Nieuwe Orde. Sinds de jaren '70 is de organisatie geheel verweven geraakt met het staatsapparaat. Alle ambtenaren en bestuurders zijn verplicht lid van de aan Golkar gelieerde standsorganisatie KORPRI. Bovendien zijn veel Golkar-functionarissen gepensioneerde militairen. In de jaren zeventig zijn de partijen uit de Soekarno-periode onder druk van de regering opgegaan in twee partijen: de PDI, een fusie van vijf nationalistische en christelijke partijen, en de PPP, waarin vier islamitische partijen samengingen. Deze twee, de enige partijen die zijn toegestaan naast Golkar, mogen tussen de vijfjaarlijkse verkiezingscampagnes in geen politieke activiteiten ontplooien in de dessa's. De ideologen van de Nieuwe Orde waren van mening dat dit de mensen in de dorpen “onnodig zou verdelen”. Deze beperking bevoordeelt Golkar, die officieel niet te boek staat als politieke partij.

Generaal b.d. Soemitro was aan het begin van de jaren '70 hoofd van de staatsveiligheidsdienst en gold destijds als de tweede man na Soeharto. Hij was na de mislukte coup van 1965 verantwoordelijk voor de reorganisatie en zuivering van het ministerie van defensie. In 1974 viel hij bij de eerste man in ongenade en sindsdien is hij in zaken.

Hij is nog steeds een gezaghebbend waarnemer van het Indonesische politieke bedrijf en verheft regelmatig zijn stem.

Soemitro: “De recente uitlatingen van Rudini moet u zien als onderdeel van een proces van geleidelijke ontvlechting tussen ABRI en Golkar. Het “post-1965 tijdperk” is voorbij; de politieke verhoudingen zijn gestabiliseerd en alle bronnen van instabiliteit zijn onder controle. Daarvoor hebben wij een prijs moeten betalen in de vorm van beknotting van de democratie, tenslotte een van de zuilen van onze staatsideologie Pancasila. Indonesie gaat nu een nieuw tijdperk in waarin de democratie opnieuw haar intrede zal doen in het politieke leven. Onderdeel daarvan is eerlijke concurrentie tussen partijen en kandidaat-leiders. Dat betekent dat Golkar op eigen benen moet staan; aan de macht blijven met steun van het leger is geen kunst”.

Neutraal leger Recente uitlatingen van hoge legerfunctionarissen bevestigen Soemitro's stelling. Generaal Try Sutrisno, chef-staf van de Indonesische strijdkrachten, geeft de laatste tijd met nadruk te kennen dat de ABRI zich bij de verkiezingen van 1992 neutraal zal opstellen. Try: “ABRI is een volksleger en dat betekent dat het hele volk en alle drie de politieke partijen het ter harte gaan. De drie krijgen van ons een gelijke behandeling”.

Minister van defensie L.B. (Benny) Moerdani zei tijdens een recent ABRI-seminar dat er in de samenleving “vraag bestaat naar politieke deregulering als een vervolg op de economische deregulering”. Hij noemde die behoefte “normaal”. Waarnemers vragen zich af wat de minister precies onder “politieke deregulering” verstaat. Een politicoloog: “Moerdani's verwijzing naar deregulering op economisch gebied doet vermoeden dat hij doelt op het doorbreken van monopolien.

Iedereen weet dat we hier maar een politiek monopolie hebben, en dat is Golkar''.

De vraag is nu wat deze aangekondigde “deregulering” en “ontvlechting” zullen betekenen voor de positie van Golkar. Die is de laatste twintig jaar uitgegroeid tot een machtig bolwerk met ruime middelen en een uitgebreide politieke clientele. Gezien Golkars exclusieve positie, dicht bij het vuur en de politieke vleespotten, werd het lonend Golkar-lid te worden of op die partij te stemmen. Op plaatselijk niveau is de politieke concurrentie minimaal: waarom zou een dorpsbewoner zijn stemmen uitbrengen tegen de partij van het dorpshoofd en de militaire commandant, als die partij tevens de plaatselijke cooperatie beheerst en toegang verschaft tot goedkope diensten?

Afan Gaffar, een politicoloog van de Universiteit van Yogyakarta: “In weerwil van de intentieverklaringen van de ministers en chef-staf zal het lastig blijken de politieke en militaire machtsstructuren op dorpsniveau te beinvloeden. In Jakarta en de grote steden valt naleving van het neutraliteitsconsigne voor leger en bureaucratie nog te controleren, maar Rudini kan moeilijk stappen ondernemen tegen tientallen duizenden dorps- en districtshoofden in de archipel”.