CNV: 'Ziet Planbureau het niet wat al te zwartgallig?'

ROTTERDAM, 5 APRIL. Eigenwijs wil voorzitter H. Hofstede van de christelijke vakcentrale CNV niet overkomen. Maar als hij “om zich heenkijkt” - naar de Duitse economie, naar de economische ontwikkeling in andere Westeuropese landen en naar de indices die duiden op herstel van de Amerikaanse economie - dan vraagt hij zich hardop af: “Ziet ons Centraal Planbureau het niet allemaal wat al te zwartgallig?”

Bij deze vraag is de wens niet de vader van de gedachte, zo beklemtoont Hofstede. De gisteren gepresenteerde cijfers van het nationale economische orakel moeten volgens hem vooral worden begrepen als “een krachtig signaal aan het adres van het kabinet om orde op eigen zaken te stellen”. Hij kan zich niet aan “de sterke indruk”

onttrekken dat “met het CPB ook altijd nog een beetje politiek bedreven wordt”.

Dit neemt volgens de CNV-voorman echter niet weg dat de prognoses op een “uiterst ongelegen” moment komen. Afvlakking van de economische groei, oplopende geldontwaarding, dalende winsten en stagnatie in de werkgelegenheid - ze betekenen volgens hem dat het kabinet “er wel heel belabberd voorstaat”.

Waar de vijf miljard gulden aan extra bezuinigingen vandaan moeten komen - wil het kabinet het tekort van de overheid volgend jaar terugbrengen tot de afgesproken 4,25 procent van het nationaal inkomen - Hofstede zou het niet weten. “Na de Tussenbalans nog verder bezuinigen lijkt nauwelijks verantwoord en verdere lastenverzwaringen zijn al even ongewenst, want desastreus voor de werkgelegenheid. Het is een akelig dilemma.” Als er al extra moet worden bezuinigd, dan wil het CNV in elk geval dat de lasten zo worden verdeeld, dat de laagste inkomensgroepen worden ontzien.Extra handicap voor het kabinet is volgens de CNV-voorzitter dat op het ogenblik “geen constructief overleg” met werkgevers en werknemers mogelijk is. Juist daarvan had het kabinet Lubbers-Kok bij zijn aantreden in 1989 hoge verwachtingen.

Niet eerder werd per regeerakkoord voor het aanpakken van maatschappelijke problemen zo veel ruimte geboden aan overleg met “de sociale partners”. Het resulteerde eind 1989 in het befaamde 'gemeenschappelijk beleidskader', waarin men elkaar verplichtte tot een gematigde loonontwikkeling, herstel van de koppeling van uitkeringen en ambtenarensalarissen aan de loonontwikkeling in de marktsector, en tot stabilisatie van de collectieve lastendruk (belastingen en premies). Maar wat het vliegwiel van het sociaal-economisch beleid had moeten worden, is nog geen anderhalf jaar later vrijwel vastgelopen.

Met de Tussenbalans heeft het kabinet volgens de werkgevers de laatste afspraak (over stabilisatie van de lastendruk) met voeten getreden.

Daarom boycotten zij uit protest dit voorjaar het centraal overleg. Hoezeer Hofstede die stap ook betreurt, hij kan zich de boosheid van werkgevers wel voorstellen. “De Tussenbalans-maatregelen leiden onmiskenbaar tot een opwaartse tendens van de collectieve lastendruk, maar ik kan in alle oprechtheid geen beter alternatief aandragen. Het loslaten van de koppeling komt voor ons niet im Frage. Als het kabinet daarvoor had gekozen, dan had het gigantische ruzie met de vakbeweging gekregen.”

Met name prognose van het CPB ten aanzien van de werkgelegenheid vindt Hofstede “alarmerend”. Vorig jaar daalde de werkloosheid nog met 45.000 mensen tot 345.000. Dit jaar treedt geen verdere daling op en voor volgend jaar wordt zelfs een lichte stijging (met 10.000) voorspeld. Het kabinet wil jaarlijks 100.000 nieuwe banen scheppen, maar dit jaar (70.000 nieuwe banen) noch volgend jaar (40.000 nieuwe banen) wordt dit doel gehaald, mede als gevolg van de door het CPB gesignaleerde “snelle verslechtering” van de winstgevendheid van de bedrijven. Vooral de stijging van rente en arbeidskosten zijn hieraan debet.

Hofstede deelt de zorgen van CPB-directeur G. Zalm (“De loon- en prijsspiraal is terug van weggeweest”), maar bestrijdt dat de vakbeweging de loonmatiging vaarwel heeft gezegd. “De stijging van de loonkosten per werknemer ligt dit jaar aanzienlijk hoger dan in 1989 en 1990, maar toen was de inflatie ook een stuk minder. Als je dat in het achterhoofd houdt, dan is er nog steeds sprake van een alleszins gematigde contractloonstijging, ook in vergelijking met de omringende landen. Een kabinet dat het bij de huidige inflatie aandurft een gemiddelde loonstijging van ongeveer 3,5 procent onverantwoord te noemen en op grond daarvan de koppeling los te laten, moet van heel goede huize komen. Dat is niet hard te maken.”

Tegen deze achtergrond vindt de CNV-voorzitter het “veel te vroeg” om uitspraken te doen over de lonen in 1992. De oproep van het kabinet aan werknemers om volgend jaar genoegen te nemen met handhaving van de koopkracht acht hij “voorbarig en niet erg realistisch in een groeiende economie”. Hofstede: “Minister De Vries is een econoom van het zorgelijke type, maar gelukkig ook een groot aanhanger van vrije loononderhandelingen. Hij zal zich wel drie keer bedenken alvorens in de loonontwikkeling in te grijpen.”