Casablanca bestaat niet meer; Een 52 jaar uitgestelde toneelpremiere

In 1939 schreef het Amerikaanse echtpaar Murray Burnett en Joan Alison het toneelstuk Everybody comes to Rick's. Niemand wilde het in produktie nemen. Tenslotte stuurden ze het naar Warner Brothers, en in 1942 werd het toneelstuk een film: Casablanca. In Londen gaat op 10 april het nooit eerder opgevoerde toneelstuk in premiere. Henk van Gelder woonde een try-out bij. “De acteurs spelen alsof het een nieuw verhaal is, alsof niemand weet dat er al eens een film van werd gemaakt.”

Het is in kleur! Het kasbah-achtige interieur van Rick's oogt smoezelig geel, er staan groene potpalmen, de Duitse officieren hebben grijsgroene uniformen aan, een van de bezoeksters loopt rond in een felrode jurk en Sam aan zijn piano draagt een goudkleurig jasje. Bijna vijftig jaar lang is de film Casablanca in zwart-wit geweest - en zo hebben de beelden zich sindsdien op het netvlies gehecht, in die weemoedige grijstinten van ver weg en voorgoed voorbij.

Maar een toneelstuk kan niet in zwart-wit, tenzij men alle acteurs een grijs gezicht zou schminken. Dat is hier niet gebeurd. De makers van de theatervoorstelling Rick's Bar Casablanca, die woensdag in het Whitehall Theatre in Londen in premiere gaat, kiezen voor net-echt. De plaats van handeling is een tot in de kleinste details nagebouwde bar en de acteurs spelen alsof het een nieuw verhaal is, alsof niemand weet dat er al eens een film van werd gemaakt. Het had zo op het affiche kunnen staan: Casablanca, nu voor het eerst in kleur.

Ooit was er een toneelstuk dat Everybody comes to Rick's heette. Het werd in 1939 geschreven door de toenmalige echtelieden Murray Burnett en Joan Alison. Ze zijn nu alletwee in de tachtig; ze wonen nog altijd in New York, maar allang niet meer bij elkaar. Een paar jaar geleden vertelde Burnett, in een documentaire van Hans Keller, dat het stuk geboren werd uit een reis die ze aan het eind van de jaren dertig door het half-bezette en nog half-vrije Europa maakten. Ze snoven de geur van Wenen op en belandden daarna in Cap-Ferrat in Zuid-Frankrijk, waar een zwarte pianist in een nachtclub voor een kosmopolitisch gezelschap van landverhuizers As time goes by speelde. “Ik zei tegen mijn vrouw: wat een fantastisch decor voor een stuk.”

Hun hoofdpersoon werd een Amerikaan, want alleen met een Amerikaan zou het Amerikaanse publiek zich kunnen identificeren: Richard Blaine, kortweg Rick. Ze gaven hem niet meer dan wat grove contouren. Waarom hij naar Marokko was gekomen, bleef in het vage. “Ik heb me vaak afgevraagd waarom je niet teruggaat naar Amerika,” zegt de Marokkaanse prefect de police tegen hem. “Heb je daar soms ooit een greep in de kerkezak gedaan? Ben je er met de vrouw van een senator vandoor gegaan? Het liefst denk ik dat je iemand hebt vermoord...”

Rick geeft geen krimp. “Het is een combinatie van alledrie,” zegt hij en doet er verder het zwijgen toe.

Later wordt het allemaal veel duidelijker. In zijn bar arriveert de uit bezet gebied gevluchte verzetsman Viktor Laszlo, op zoek naar een uitreisvisum om naar Amerika te vliegen en daar de publieke opinie te mobiliseren tegen de nazi-dictatuur. Laszlo heeft een vrouw bij zich - en met die vrouw heeft Rick vroeger in Parijs een romance gehad. Hij had nooit meer aan haar willen denken, maar: Of all the gin-joints in all the towns in all the world, she walks into mine...

Toen ze hem verliet heeft hij zich voorgenomen geen mens meer werkelijk te vertrouwen en zich te pantseren in hardvochtigheid. Dat is een pose, beginnen we nu langzamerhand te merken. Rick moet partij kiezen: helpt hij Laszlo met de vrouw naar de vrije wereld of zou hij een poging doen haar voor zichzelf terug te winnen?

Bewust of onbewust, dat weten we niet, schiepen de Burnetts een metafoor voor de oorlogssituatie van dat moment. Rick was de Amerikaan, die bij het begin van de Tweede Wereldoorlog neutraal trachtte te blijven. In het stuk wordt die onpartijdigheid gaandeweg onhoudbaar. Middenin zijn persoonlijke dilemma vraagt hij zich plotseling af hoe laat het op dat moment in Amerika is. Nacht, waarschijnlijk. I bet they're sleeping all over America, merkt hij op.

Dat kan niet alleen op het letterlijke slapen slaan, daar moet meer mee bedoeld zijn. Ze zitten daar allemaal te suffen en hij zou ze wakker willen schudden.

EXOTISCH

Mooi, maar niet iets waar Broadway in 1939 om zat te springen.

Bovendien waren Burnett en Alison allerminst bekende toneelschrijvers. Niemand wilde Everybody comes to Rick's in produktie nemen. Tenslotte stuurden ze het naar Warner Brothers, misschien kon er een film van worden gemaakt.

De story editors van de grote filmstudio zagen er wel wat in. Vooral de lokatie sprak hen aan. Zojuist hadden Hedy Lamarr en Charles Boyer geschitterd in Algiers, ook zo'n romance op een exotische plek. Een succesfilm leidt in Hollywood altijd tot minstens dertig films volgens dezelfde formule. In het stuk van die onbekende auteurs zat bruikbaar materiaal. Het was pulp, maar prima pulp. En de onhandige titel moest natuurlijk veranderd worden in Casablanca. Voor zover de Burnetts het zich herinneren, kregen ze 20.000 dollar voor hun script.

Volgens de aftiteling is de film gebaseerd op hun toneelstuk en geschreven door Howard Koch en Philip en Julius Epstein. De tweelingbroers Epstein hebben sindsdien met vrolijk sarcasme over hun werk gesproken. Ach, het was allemaal niet veel meer geweest dan wat sentimentele onzin, verzonnen omdat Warner zo graag een tweede Algiers wou produceren. “Lekker veel sfeer, sigaretterook en gitaarmuziek”

zei Julius Epstein tegen Laurence Leamer, de biograaf van Ingrid Bergman. Ze schreven hun laatste versies op de set. De film moest vrijwel chronologisch worden opgenomen, want het verloop van de plot bleef tot op het laatste moment onduidelijk. En pas toen de hoofdrolspelers het niet langer konden verdragen dat ze tijdens de opnamen niet wisten wie in de slotscene met wie zou weggaan, hakten ze de knoop door en verzonnen het beroemde einde. Een gedurfd einde, want geen happy ending.

LAATSTE REGEL

Is dat alles echt zo gebeurd? Ik zie de Londense voorstelling en twijfel. Heel veel van wat zich in de film afspeelt, blijkt letterlijk in het oorspronkelijke toneelstuk te hebben gestaan. Bijna al die doortrapte wendingen van het verhaal, bijna alle wisecracks, de sfeertekening. Tot en met de allerlaatste regel, als Rick in zijn nobelheid boven zichzelf is uitgestegen en achterblijft met inspecteur Renaud: This could be the beginning of a beautiful friendship.

Het enige dat wezenlijk aan de toneeltekst van de Burnetts is toegevoegd, is de flashback van Rick en zijn droomvrouw in Parijs, waarin zij hem tegen de achtergrond van de dreigende Duitse inval - geheel in de roes van het moment - vraagt of het mortiervuur is wat ze hoort, of haar bonzende hart. Veel meer hebben de scenaristen zo te zien niet hoeven doen.

“Murray Burnett is bij de repetities aanwezig geweest”, zegt Vernon Hough, company manager van de Londense produktie. “De voorstelling die nu wordt gespeeld, is dat wat hij in 1939 bedoelde. Hij heeft geen dingen uit het filmscenario overgenomen. Dat zou niet eens kunnen, want dan zouden we moeilijkheden met Warner krijgen. We hebben de voorstelling zelfs niet Casablanca mogen noemen, want die titel is eigendom van Warner. Er zijn in de loop der jaren heel veel apocriefe verhalen over de film ontstaan, dat krijg je altijd als iets zo'n legende wordt. Als je alle interviews met betrokkenen naleest, die zich trouwens ook weer regelmatig hebben tegengesproken, krijg je de indruk dat Casablanca bijna improviserend is ontstaan. Dat is onzin; de inbreng van de scenaristen is heel beperkt gebleven, vrijwel alles stond al in de tekst van het toneelstuk.”

De film werd gemaakt in 1942, ging begin 1943 in premiere en kreeg onmiddellijk fraaie kritieken. “Men krijgt het gevoel dat de dingen niet gebeuren vanwege de invallen van de scenaristen, maar omdat ze moeten gebeuren”, schreef de man van de Daily Film Renter. Datzelfde jaar ontving Casablanca de Oscars voor de beste regie en de beste film. Op dat moment was Amerika volledig in de wereldoorlog betrokken en - sterker nog - was zojuist in Casablanca de conferentie achter de rug waar president Roosevelt en premier Churchill met elkaar hadden afgesproken dat alleen een onvoorwaardelijke overgave van de Duitsers aanvaardbaar zou zijn.

Zelf waren de Burnetts nooit in Casablanca geweest; het leek hen gewoon een avontuurlijke smeltkroes met een spannende mengeling van vrijheidsdrang en cynisch opportunisme. Ook de filmmakers zijn nooit naar Marokko getrokken. Hun idee van Casablanca verrees in studio 21 van Warner, waar de mistmachine op volle toeren werkte en het decor van de bar een steeds slonziger aanzien kreeg. De straatjes en steegjes zijn van bordkarton, evenals het vliegveld van de slotscene; de enige buitenopnamen bestonden uit een vliegtuigje dat men even boven Hollywood moest laten vliegen. Misschien is het juist die kunstmatigheid waardoor Casablanca onmiddellijk meer was dan alledaagse realiteit - authentieke lokatie-opnamen in Marokko hadden de film er niet beter op gemaakt.

EMIGRANTEN

De sfeer in de studio moet geladen zijn geweest. De regisseur, Michael Curtiz, wist waar de film over ging: hij was een Hongaarse jood die in 1918 naar Amerika emigreerde. Ingrid Bergman, die de vrouwelijke hoofdrol speelde, kwam uit Zweden en wilde carriere maken in Hollywood. Speciaal om haar te krijgen, was van de Amerikaanse vrouw uit het toneelstuk een Europese gemaakt. Een verbetering, want daardoor werd Rick de enige Amerikaan in de film. Paul Heinreid (Laszlo) was uit Wenen gevlucht en in veel van de bijrollen stonden eveneens Europese acteurs wie het werken in eigen land door de nazi's onmogelijk was gemaakt. Sommige van hen (Conrad Veidt, Peter Lorre, Trudy Berliner, Dina Smirnova) waren thuis sterren geweest. “Het is niet onze taak met films een boodschap aan het volk over te brengen”, luidde het credo van Curtiz. “Wij hebben uitsluitend als opdracht het publiek aangenaam bezig te houden.” Maar dit lag natuurlijk te dicht bij zijn eigen geschiedenis om hem onverschillig te laten.

En dan Humphrey Bogart. Aanvankelijk deden voor de rol van Rick andere namen de ronde. Ronald Reagan werd geopperd, George Raft en Robert Mitchum ook. Ze vielen af, omdat ze niet beschikbaar waren. Bogart heeft geaarzeld, omdat hij bang was dat Rick te veel een ruggegraatloze indruk zou maken. Dat zou zijn imago geen goed doen, vreesde hij. Na de toezegging dat men nog aan het personage zou sleutelen, ging de 42-jarige steracteur akkoord. Men kan zich geen andere Rick meer voorstellen.

PARADOX

Wie nu naar Casablanca kijkt, ziet een uitgesproken B-film, die per ongeluk een meesterwerk is geworden. Op een koopje gemaakt en zonder enige pretentie, met een paradoxaal resultaat. Is het daarna nog mogelijk onbevangen naar een opvoering van het oorspronkelijke toneelstuk te kijken? Moeilijk, vind ik. Vorige week zag ik in Londen een van de eerste inspeelvoorstellingen. Een ongeschreven wet zegt dat een voorstelling niet voor de premiere in de krant wordt beoordeeld.

Ik heb geprobeerd me daaraan te houden en alleen op te schrijven wat er te zien is. Maar het lukt me niet.

De rol van Bogart wordt gespeeld door de Britse acteur Leslie Grantham, die op de televisie in een Cockney-accent overtuigende jongens van de straat heeft vertolkt. Hij loopt enigszins harkerig rond in een wit smoking-jasje en zet een Amerikaans accent op, dat af en toe wegzakt. Hij kan spannende stiltes laten vallen, dat wel. Maar zijn glimlach is te charmant, hij is niet ongenaakbaar genoeg. Bij hem kan ik me moeilijk voorstellen dat er van binnen iets brandt. Zijn tegenspeelster Shelley Thompson komt weliswaar uit Canada, maar doet vooral denken aan de koele schoonheid die veel Britse actrices uitstralen. Een beetje hooghartig - en als ze probeert te smelten, lijkt ze meer op een vriendelijke hostess dan op een vrouw tussen twee verzengende vuren.

Op haar na zijn alle acteurs Britten. Ze doen hun best, de een met beter resultaat dan de ander, om met een Frans of Duits of Amerikaans accent te spreken. Edward de Souza, als de prefect, is daarin het overtuigendst; om hem valt bijna even veel te lachen als om Claude Rains in de film. Ronduit aandoenlijk vind ik Geoffrey Drew als de ober Carl, een uit Leipzig gevluchte hoogleraar die de vernedering van zijn dienstbare baantje met een ontroerend soort trots weet te dragen.

Hoe hard ze eraan hebben gewerkt, blijkt uit de vermelding van een dialect coach in het programmaboekje en de onberispelijke uitvoering van Die Fahne hoch en de Marseillaise tijdens een onheilszwanger moment in de club. Niettemin is het namaak; de internationale bezetting die in 1942 in Hollywood aan het werk was, valt niet te overtreffen.

Alle scenes spelen zich nu af in Rick's Bar. Ook de laatste, die op het vliegveld, als we nog steeds een beetje hopen dat Bergman samen met Bogart zal vertrekken. In de toneelversie maakt Rick zijn edele beslissing in de bar bekend, met Renaud als getuige. De vrouw is dan al vertrokken, onze spanning is geweken. Ik had gehoopt op die twee figuren, dicht tegen elkaar, middenop het toneel, de rest in het donker - en dan die geladen laatste woorden. Dat moment komt dus niet, de kwestie wordt ogenschijnlijk zakelijk afgewerkt.

Maar misschien is het allerbelangrijkste het naturel van het toneelbeeld. Had de regisseur niet veel meer kunnen bereiken met een uitgekiende reeks lichtstanden in plaats van het tamelijk vlakke licht dat hij nu op zijn gedetailleerde decor heeft gezet? Was het niet veel mooier geweest om alle opsmuk weg te laten en het stuk in een geabstraheerde omgeving te spelen, net zoals de stad Casablanca intussen is geabstraheerd tot een niet-bestaand oord?

Casablanca bestaat niet meer. De havenstad aan de Atlantische Oceaan, volgens de encyclopedie “het commerciele, industriele en culturele hart van Marokko”, heet sinds de Marokkaanse onafhankelijkheid officieel Dar el-Baida. Dat er sinds enige tijd een Rick's Bar is gevestigd, komt door de film. As time goes by wordt er, naar is bericht, vaak gespeeld. Maar niet op de oorspronkelijke piano, die is ruim twee jaar geleden op een veiling voor 330.000 gulden gekocht door een Japans bedrijf dat anoniem wenste te blijven.

    • Henk van Gelder