BREGJE BOONSTRA

Othmar Franz Lang: De hongerroute. Uitg. De Vries-Brouwers. Prijs: (f) 26,90. Mette Newth: De ontvoering. Uitg. Leopold. Prijs: (f) 24,90.

Een maatschappijkritisch ingesteld auteur loopt het risico zijn verhaal onder oprechte verontwaardiging te smoren. Dat gevaar bedreigt met name kinderboekenschrijvers, die soms geneigd zijn hun weinig wetende publiek omstandig uit te leggen waarom iets niet deugt. De Duitser Othmar Franz Lang schreef over misstanden in de Derde wereld - Waarom schenk je de wereld het licht? - en in kindertehuizen - Mijn broertje Thomas. Met De hongerroute stelt hij de pas omstreeks 1930 verdwenen traditie aan de kaak van arme boerenkinderen uit Tirol die zich in het voorjaar over de bergen naar Beieren sleepten, om zich op de markt in Ravensburg als goedkope arbeidskrachten te verhuren. In de herfst trokken ze dan goed doorvoed weer terug. Lang heeft weinig literaire pretenties. Hij beschrijft vrij sec hoe een vriendelijke hulppastoor zevenenvijftig uitgehongerde, armzalig geklede kinderen over de nog besneeuwde wegen leidt en hoe het drie van hen op hun zomeradres vergaat. Een meisje wordt door haar tijdelijke bazin geminacht en gesard. Een jongen blijkt taalgevoelig en muzikaal te zijn, talenten waarvoor in de Tiroolse bergen geen mogelijkheden bestaan om ze verder te ontwikkelen. Een ouderloos echtpaar gaat zich zo aan hun jonge hulp hechten dat de boer wil proberen hem definitief te kopen. De schrijver laat zien waartoe zo'n mensonwaardige praktijk kon leiden, maar houdt de lezer enigszins op een afstand, omdat deze zich niet kan verliezen in het verhaal van een hoofdpersoon en zich bewust blijft van het feit dat het allemaal 'waar gebeurd' is en behoorlijk erg was. Als grote schuldige wijst Lang de roomskatholieke kerk aan, waar gepredikt werd dat God de armen gewild heeft, opdat de rijken goede werken aan hen zouden kunnen verrichten. Na de mis en een overvloedige maaltijd betitelt een zelfgenoegzame boer zijn hulpje dan ook als 'onze hemelsleutel'. Het verhaal lijdt onder een stijve vertaling, met de regelmatig terugkerende Germanistische men-vorm en een aantal storende zetfouten.

Voor haar jeugdroman De ontvoering baseerde de Noorse schrijfster Mette Newth zich op de opgetekende verhalen en gezangen van de Inuit en op de logboeken van de zeventiende-eeuwse kapiteins die naar Groenland zeilden om daar handel te drijven. Haar onderwerp is belangwekkend. Een jonge Eskimoman en -vrouw worden als huiveringwekkende curiositeit naar Noorwegen meegevoerd, waar de 'beschaafde' wereld zich op hen stort. De rijke kooplieden proberen hun 'buit' aan de wetenschap te slijten, de lutherse kerk ontketent onder aanvoering van een hypocriete predikant een soort heksenjacht en het volk staat angstig en op sensatie belust langs de kant. Om de botsing tussen de twee culturen duidelijk neer te zetten koos Newth voor vertelling via wisselend perspectief. De lezer ziet de gebeurtenissen gedeeltelijk door de ogen van het Eskimomeisje Osuqo, wier vader en broer voor haar ogen zijn vermoord, die door de hele scheepsbemanning verkracht wordt en die zich tijdens haar beestachtige opsluiting overeind weet te houden met de herinneringen aan haar vredige kindertijd. De Europese kant van de geschiedenis wordt belicht door Christine, een straatarm dienstmeisje in het huis van de reder, belast met de bewaking van de 'wilden'. Gedreven door een vaag gevoel van verwantschap met Osuqo - vanwege haar mismaakte arm is ze een uitgestotene en haar vader kwam om tijdens de Groenlandexpeditie - werkt ze mee aan de ontsnapping van het tweetal. Ze krijgt daarbij hulp van de rederszoon, die dankzij zijn wetenschappelijke belangstelling enigszins met de Inuit kan communiceren.

Het in opzet sterke boek is maar ten dele gelukt omdat de auteur zo onwrikbaar duidelijk aan de goede kant staat. De wandaden van de Noren worden breed uitgemeten. Vooral de van poetische pretenties getuigende verkrachtingsscene lijkt nooit weer op te houden. Daar tegenover staat de harmonieuze Inuitbeschaving, waarin de vele rituelen alles en iedereen zijn plaats geven. Newth laat zich in haar partijdige bewondering - die zich regelmatig uit in gezwollen, haast pathetisch taalgebruik - zozeer meeslepen, dat ze neigt tot eenzelfde soort romantisering, die sommige verhalen over Indianen ontkracht. Het gelijk aan zijn zijde levert de schrijver nog geen goed verhaal.