Aanvaardbare executies; Engeland en de Eerste Wereldoorlog

Samuel Hynes: A War Imagined. The first world war and English culture. Uitg. The Bodley Head, 514 blz. Prijs (f) 75,60

De geschiedenis van onze tijd begint in 1914. Voor het begin van de Eerste Wereldoorlog leefden de mensen in een ander tijdvak; dat kan in ieder geval gezegd worden van Europeanen en waarschijnlijk ook van veel anderen, of zij bij de oorlog betrokken waren of niet. De meeste Nederlanders zijn geboren na 1918 en opgegroeid in een land dat niet meevocht in de loopgraven; toch liggen die in ons eigen verleden, en het onbehagen erover zit even vast als dat over de Duitse concentratiekampen.

Zou het juist zijn om te zeggen dat de wereld in de eerste oorlog zijn onschuld of zijn vermogen om in hoop te leven verloren heeft? Het is vaak beweerd, maar de mensheid van 1900 voelde zich niet zo bevoorrecht als zij van een afstand soms lijkt. De belle epoque heeft nooit bestaan, en verwoestingen en slachtingen zijn in alle tijden voorgekomen. Wat is er dan zo onontkoombaar aan de loopgraven?

Daar is geen vlug antwoord op te geven. Het onontkoombare is dat zij onontkoombaar blijven. Vandaar dat het boek van Samuel Hynes, hoogleraar in Princeton, over het beeld van de Eerste Wereldoorlog in de Engelse literatuur en de kunsten, een belangstelling wekt die niets met krijgsgeschiedenis te maken heeft. Bij Ieper, bij Loos, aan de Somme werden als er een offensief was ingezet de soldaten met duizenden per dag neergeschoten; in rustige weken werden zij door granaten gedood in hun modderige loopgraven. In totaal sneuvelden er in Europa minstens acht miljoen soldaten, en nog meer werden invalide.

Op de militaire begraafplaatsen staan de kruisen zedig in rijen; daaronder liggen de botten meestal door elkaar in grote kuilen.

Een manier om de wederkerige massaexecuties in gedachten aanvaardbaar te maken is de gedachten te richten op de glorie van de vaderlandsliefde en het vooruitzicht van de overwinning. In de eerste twee jaar van de oorlog hield het Engelse thuisfront zich aan deze richting, en de soldaten te velde hielpen door hun ervaringen niet schrikbarend voor te stellen in hun brieven, en als zij met verlof kwamen in hun verhalen; zij konden moeilijk anders, want het leven aan het front was onmogelijk te beschrijven in gezinstermen.

Haat In de loop van 1916 veranderde de stemming, bij de burgers en ook bij de troepen, maar daar soms langzamer omdat zij meer behoefte hadden aan een vertrouwen dat de oorlog ergens voor diende. Het leek nog altijd nodig om Duitsland te verslaan, want de haat tegen de vijand verslapte niet, maar het besef begon door te dringen dat de Engelse beschaving er misschien het slachtoffer van zou worden. Een eind maken aan de oorlog kon niet; wel scheelde het iets dat velen er geen heil meer in zagen en geruststelling zochten in de wens dat zoiets nooit meer zou voorkomen.

Na de wapenstilstand deden de schrijvers en schilders die Hynes op het oog heeft eerst weinig met hun oorlogservaring. Toen zij er zich in de tweede helft van de jaren twintig over uitlieten vond er een mythevorming plaats, zoals hij het noemt, waarin de hoofdtoon er een was van verlies en desillusie. De doden waren weg, de beschaving was in verval; er zouden nieuwe waarden geformuleerd en aanvaard moeten worden, of oude in ere hersteld. Voordat iemand had kunnen vaststellen of daar iets van kwam werd de aandacht van het verleden afgeleid door de dreiging van de toekomst in Duitsland.

Op dat punt beeindigt Hynes zijn studie van de verwerking van de eerste wereldoorlog door de Engelse cultuur. Een vervolg zou zich moeten bezighouden met de tijd na 1950, en dan niet meer met de directe reacties op die oorlog maar met de eerdere boeken die erover geschreven zijn; ook daar is wel weer veel over op te merken.

Wat Hynes aantoont zonder het in de eerste plaats te bedoelen is dat het complete historische monster dat Eerste Wereldoorlog heet zich niet laat kalmeren en aanvaardbaar maken door ordelijke abstracties.

Net zo min als de joodse gevangenen in de rij voor de gaskamer zijn de infanteristen in het mitrailleurvuur over de heuvel terug te brengen tot begrippen waarmee wij het verleden kunnen classificeren om het dan in een archief te zetten en achter ons te laten. Als de begrippen verwerkt zijn blijven de gebeurtenissen zelf onze verbeelding in beslag nemen. De enige manier om ervan af te komen is door ze te negeren. Dat is te doen; het bezwaar ertegen is dat wij ons dan losmaken van onze eigen geschiedenis.

MODDER

Een betere manier om het verleden te behandelen is door ons te vereenzelvigen met de potentiele voorouders die in de modder van Noord-Frankrijk gestopt zijn, en ook met de overlevenden die de oorlog uit eigen ervaring kenden. Ik had gehoopt dat professor Hynes ons verder zou voeren op de weg van Paul Fussells The Great War and Modern Memory van 1975, een boek dat al jaren lang in een paperback (Oxford University Press) als het klassieke werk over het onderwerp geldt.

Fussell overtuigt ons soms geheel en soms half dat allerlei moderne levensvormen bepaald of geaccentueerd zijn door ervaringen van 1914-18. De voorbeelden die hij geeft bevrijden ons niet van de geschiedenis; zij verwikkelen ons erin.

Bijvoorbeeld: toen generaal Jack een keer over de zandzakken van de geschutspost keek zag hij een Duitser terugkijken uit een loopgraaf iets meer dan honderd meter weg: ''The keen hard face of a German, capless and with iron-grey hair, staring in my direction.'' Zo'n uitzicht had een soldaat haast nooit op de vijand, die altijd verborgen was in zijn loopgraven maar zich nu enige seconden lang vertoonde aan de overkant van een stukje niemandsland.

In dit geval vielen er geen doden, hoewel bijna, want de pointe is dat de Duitser zich voordeed als individu en tegelijk als demon en doelwit. Het is een ingehouden herinnering; in de meeste andere zijn er lijken en ledematen en bloederige resten, tussen kale boomstronken in de modder onder het gedreun van de artillerie dat dagenlang niet ophield.

Dat is onze geschiedenis, en geen interpretatie kan er iets van goedmaken. Wij moeten niet proberen er ons aan te onttrekken. Het ergste wat wij ervan beleven is toch maar een verzachte verbale vorm, zonder lawaai of levensgevaar; als wij die ook nog proberen te verdringen met ideeen vervreemden wij van onze voorouders.

Dat is de uitwerking die het boek van Samuel Hynes heeft op onze relaties met de soldaten van de Eerste Wereldoorlog: zij raken uit het zicht. Wel brengt hij ons nader tot de schrijvers en schilders die hun begrip van de oorlog in hun werk gelegd hebben; die zijn ook de moeite waard om een relatie mee op te bouwen, maar minder.

    • J.J. Peereboom