Wie in Koerdistan geluk heeft, heeft een deken

LONDEN, 4 april - “Een Koerdische vrouw lag tussen de rotsen te bevallen, ik zag bejaarden gekleed in niet meer dan een pyjama en kleine kinderen op blote voeten in de sneeuw.

' De BBC-verslaggever geeft zijn telefonische verslag vanuit Turkije door naar Londen. Honderdduizenden Koerden blijven zonder voldoende kleding, voedsel en medicijnen achter in de bergen en op de wegen die vanuit Kirkuk, Arbil en Sulaimaniya leiden naar het noorden en noordoosten. Een paar dagen lagen die steden in Vrij Koerdistan, nu voor onbepaalde tijd weer in Irak.

Harvey Morris, verslaggever voor de Britse krant The Independent bezocht in de korte tijd dat Arbil in handen van de Koerden was, het hoofdkwartier van de Iraakse veiligheidspolitie. Het is door de Koerden in brand gestoken, schrijft Morris vandaag, “maar de cellen zonder ramen - een meter in het vierkant waarin drie geblinddoekte gevangenen geperst werden - zijn nog intact, evenals de martelkamers, met nissen in de muur voor zwepen, stalen kabels en apparatuur voor het toedienen van elektrische schokken.”

“In de plafonds zitten zware ijzeren haken. Volgens onze gids, een 'peshmerga' (Koerdische vrijheidsstrijder) die er zelf gevangen is gehouden, werden gevangenen naakt aan hun voeten opgehangen, natgespoten en dan gedurende een paar uur door soms zes ondervragers geslagen. Daarna werden schokken toegediend. Dat was gebruikelijk, maar soms waren er verfijningen. Dan bonden de folteraars bijvoorbeeld een zak rond de heupen van hun slachtoffer, hitsten een kat op stopten die in de zak.”

In het hoofdkwartier van de Iraakse militaire inlichtingendienst in Arbil doodden de Koerden 28 Irakezen die zich in de buizen van de airconditioning hadden verstopt. “De geheime politie is nu ongetwijfeld terug”, schrijft Morris, “en hun wraak zal verschrikkelijk zijn.” Sinds zondag is het Koerdische verzet ingestort. Kirkuk, de zuidelijkste stad die de Koerden veroverd hadden, is gevallen.

In bussen, personenauto's, op vrachtwagens, tractoren en te voet ontvluchten honderdduizenden Koerden het gebied. 'Peshmerga' en burgers, met een geweer in de sjerp, in een bemodderd driedelig pak, in ochtendjas of in een gescheurde jurk. Wie geluk heeft, heeft een deken. Zij dragen hun kinderen en hun schamele bezit met zich mee. De konvooien, tientallen kilometers lang, zijn op weg naar Turkije en Iran. Turkije laat alleen mondjesmaat Turkmenen door, Irakezen van Turkse afkomst, en ook Iran houdt de grens vooralsnog gesloten. Vanuit het zuiden rukt het Iraakse leger op.

“Waar blijft Bush nu?”, “Bush is de bondgenoot van Saddam!” Die woedende kreten tekenen alle westerse verslaggevers in het gebied op uit de mond van de Koerden. Zij voelen zich verraden door de geallieerden, de VS voorop, die hen vroegen de wapens tegen Saddam op te nemen, maar die zich nu afzijdig houden met het argument zich niet met “de binnenlandse aangelegenheden van Irak” te willen bemoeien.

Maar die binnenlandse zaken zijn voor de Koerden de enige die er toe doen.

Pag. 4:

Koerden op weg naar hun verwoeste geboorteland

Met hun lichte wapens staan de Koerdische vrijheidsstrijders, de peshmerga, machteloos tegen de Iraakse tanks - voor een deel ontsnapt door de achterdeur, nadat de Amerikanen een staakt-het-vuren afkondigden - en tegen de Iraakse helikopters waarvan de Amerikanen het gebruik niet verboden hebben. Ook in aantal vormen de Koerden een minderheid ten opzichte van de militairen die Irak aanvoert nu de opstand in het zuiden eveneens bedwongen lijkt. Hun enige wapen is hun moreel.

Tegen een verslaggever van The Wall Street Journal zei de Koerdische commandant Farman Mohammed: “De peshmerga weten waarvoor ze vechten, de Irakezen zijn hier alleen uit angst”. Na aanvankelijke, rationeel moeilijk verklaarbare successen voerde hij nabij Kirkuk een bij voorbaat verloren strijd.

Radio Bagdad berichtte vanochtend dat “de Koerden in het gebied waar orde en recht hersteld zijn niet voor hun leven of hun bezit hoeven te vrezen”. Zij kunnen gerust terugkeren, meldde de radio, maar de Koerden keren terug naar wat voor de meesten hun geboortegrond is: de bergen. Ook al weten zij dat zij de dorpen en stadjes, die zij in de afgelopen jaren hebben verruild voor de grote steden in de vlakte, verwoest zullen vinden.

Halabja had ooit 75.000 inwoners. In 1988 kwamen er duizenden om door Iraaks gifgas. Daarna was de stad uitgestorven. In het geheim werden de doden begraven in geimproviseerde graven. Vijf maanden na de gasaanval verscheen het Iraakse leger opnieuw, nu om huizen op te blazen, en om de boomgaarden in brand te steken; “de granaatappels en peren mochten geen rebellen voeden”.

Op een volgepakte vrachtwagen in een Koerdistaans konvooi is geschreven: “Laat niemand zeggen dat de Koerden dood zijn.”