Veile villa

Goede Smaak is een wispelturige dame. Wat zij eens ten strengste verbood, is nu haar eerste vereiste; haar geboden van vroeger zijn de aanstelleritis van nu. Haar naam alleen al leidt, als men er even bij stil staat, tot misverstanden. Is smaak wat je proeft? Wat je vindt?

Slechte smaak is veel duidelijker. Wat onecht is, pretenties heeft, op effect uit is of grof, dat getuigt van slechte smaak. De meeste winkels liggen er vol mee. Vrijwel alle restaurant-interieurs zijn er geheel uit opgetrokken. Slechte smaak is oneindig veel wijder verbreid dan goede - en zo hoort het natuurlijk ook. De arbiters van de goede smaak moeten hun wijsheid wel een beetje in een beperkte kring houden, anders is de aardigheid er af.

Maar soms krijg je de indruk dat Goede Smaak vreemde wegen bewandelt. Het is alsof zij, tot voor kort het voorrecht van een verwende elite, in de mode aan het raken is. Misschien ligt het aan de tijdgeest. Of aan het Mozartjaar, of de algehele welvaart. Hoe dan ook, het is een verandering van belang, stof tot nadenken voor cultuurfilosofen.

Een voorbeeld. Vorige week was een ruim gezelschap van culinaire, sociale en journalistieke opiniemakers uitgenodigd in een villa te Laren met een dak van stro. Er moest een boek worden gelanceerd, De smaak van bloemen geheten. Iedereen was gekomen, van de portretschilder en de meubelontwerper wier naam niemand meer kan uitspreken zonder een verwijzing naar Glamourland, tot de ex-koningin van voedselminnend Nederland, nu ietwat verloren tussen de sterren die haar hebben onttroond. Maar hoe heterogeen ook het gezelschap, men was eensgezind in ademloze bewondering voor het decor. De goede smaak droop van de gesausde muren, straalde van het geglazuurde aardewerk, sijpelde uit de rustieke manden en steeg op uit boeketten en kelims. Alles was mooi.

In de badkamer, met een koperen douchebak en wastafels die, heel curieus, antieker leken dan de vooroorlogse villa zelf, lag nog geen tubetje Prodent lelijk te zijn. Geen Braun of Moulinex ontsierden de roomkleurige keuken waar werd gewerkt aan driekleurige viooltjes op gerookte paling en waterzooi van kabeljauwwangetjes met dille-bloemen.

Het ijzeren hemelbed in de slaapkamer boven noodde eigenlijk tot niets zozeer als tot wegdromen in het een of andere inspirerende fotoboek, zoals die hier en daar in het rond lagen.

De uitstraling van dat bed had ons te denken moeten geven, al deed het dat aanvankelijk niet. Pas langzaam drong de verpletterende waarheid door tot de aanwezigen: dit huis was niet alleen een decor, het was veil, in de zin dat alles er in te koop was. Reeds stond de portretschilder, die het natuurlijk sneller had begrepen, met wat azuurblauwe borden in zijn hand. Hij nam er nog wat kaarslampjes bij om de prijs goed te maken. De potten, de manden, de kandelaars en de kransen, te koop waren zij, al deden zij net alsof zij hier woonden in een smaakvol, harmonisch geheel. Als die villa geheel in Louis Quinze ingericht was geweest, of in de Goed Wonen-stijl anno 1950, dan was het geheim van het huis ongetwijfeld gemakkelijker te doorgronden geweest. Maar juist het informeel-chique, het decoratiefrustieke, het hedendaags-pittoreske van dit Larense interieur - Engelse cottage-stijl met een vleugje Zuidfrans? - werkte verwarrend. Althans, op de naievelingen die nog niet wisten dat ook deze moeilijk definieerbare vorm van goede smaak gewoon te koop is. Die de vage illusie hadden dat eigenlijk alleen zij zelf, met een grote geestelijke inspanning en een onbeperkt budget, het huis van hun dromen zo hadden kunnen inrichten.

Het was een ontgoocheling. De enige troost was dat hiermee de twijfel werd bevestigd of er wel iemand zo schon kon wonen, want er woonde dus inderdaad niemand. Maar een ontgoocheling bleef het. Wat rest een mens nog om te wensen als de goede smaak - o, zo persoonlijk immers - gewoon te koop is bij de firma Wolterinck in Laren, en dus vermoedelijk nog op verscheidene andere adressen?

Goede smaak is natuurlijk, naast slechte, altijd te koop geweest. Zoals er in de achttiende eeuw mensen rijk zijn geworden van Louis Quinze, en in de jaren vijftig van Goed Wonen, zo zijn er nu mensen die tegen een flink tarief aan hen die last hebben van de geldpest vertellen dat er betere dingen zijn dan witleren banken en gedrapeerde vitrages. Je moet wel een onverbeterlijke cultuurpessimist zijn om neerslachtig te worden van het feit dat onwaardige types zich als het zo uitkomt omringen met spulletjes waarop ook de fijnzinnigste armoedzaaier eigenlijk niets heeft aan te merken. (Behalve misschien dat het er wat veel zijn.) Integendeel, het doet het beste hopen voor de beschaving, nietwaar?

De meeste aanwezigen op die smaak-van-bloemenbijeenkomst straalden overigens niet het geringste cultuurpessimisme uit. Het hoofd vol champagnecocktail met klimjasmijnbloesem, snoepend van de stiltoncreme met komkommerkruidbloemetjes, genoten zij onbezorgd van de beeldige omgeving. En als zij zich zetters waanden van een nieuwe trend, dan was dat die van het consumeren van bloemen. Dat dit, alle artisjokken, bloemkolen, kappertjes en vijgen ten spijt vanaf nu pas echt le dernier cri zou zijn - een logisch ineenvloeien van milieuvriendelijkheid en nouvelle cuisine - dat was de zekerheid van die smaakvolle middag.

    • Ileen Montijn