Pogorelich adembenemend

Serie: Coryfeeen aan het klavier. Recital door Ivo Pogorelich. Programma: Haydn Sonate in D, hob. XVI-19. Brahms Intermezzi opus 117, Scriabin Sonate nr. 4 opus 30, Ravel Valses Nobles et Sentimentales, Rachmaninov Sonate nr. 2 opus 36. Gehoord: 3-4 in de Grote Doelenzaal te Rotterdam. Herhalingen: 4-4 Eindhoven, 5-4 Utrecht, 6-4 Scheveningen, 7-4 Amsterdam, 9-4 Groningen en 10-4 Heerlen.

Voor Ivo Pogorelich bestaat er een groot verschil tussen 'normaal'

pianospelen zoals hij dat zelf in Moskou heeft geleerd en het instrument benaderen volgens de traditie van de grote romantici zoals Liszt en Hoffmann. Wat hij daarmee precies bedoelt draagt hij in elk recital en met iedere nieuwe plaatopname uit sinds de roemruchte start van zijn carriere in 1980.

Dwars tegen haar mede-juryleden in noemde Martha Argerich hem in dat jaar bij het Concours van Warschau een fenomeen. Haar gelijk is inmiddels ruimschoots bewezen al zal het Rotterdamse Doelen-publiek dat als eerste het programma mocht beluisteren van Pogorelichs Nederlandse tournee op sommige punten toch nog kleine bedenkingen hebben gehad.

Ivo Pogorelich heeft een adembenemend mooie toucher als het om het boetseren van melodische lijnen gaat. Zijn vingerspanning en armsouplesse doen een stralende toon ontstaan die zich volkomen abstraheert van de context. Dit musiceren op verschillende klankniveaus legt haarscherp de structuur van de compositie bloot en verduidelijkt in hoge mate het analytische van Pogorelichs interpretatiekunst.

Maar dan moet het wel gaan over het romantische repertoire want een Haydn Sonate vraagt om klassiek evenwicht dat verloren gaat bij dunne baslijnen en weliswaar betoverend, maar toch te vluchtig passagewerk.

Subliem zonder voorbehoud klonk Pogorelichs spel in de drie intermezzi opus 117 van Brahms die in zijn visie een oneindige rust uitstraalden.

Dezelfde poetische sfeer vond men terug in de breekbare subtiliteit van Sciabins Vierde Sonate en in Ravels Sensuele Walsen, maar in de bewogen Tweede Sonate van Rachmaninov werd de klankenstroom er soms door tegengehouden zodat het stuk nodeloos verbrokkelde.

De andere kant van Pogorelichs klankvoorstelling is die van de orkestrale benadering. Hoe hij daarmee te werk gaat hoorde men in het felle laatste deel van Scriabin en in menige grootse passage van Rachmaninov. Het hoogtepunt in dit opzicht echter bewaarde Pogorelich voor de toegift, het razend moeilijke Islamey van Balakirev dat weinig pianisten op een concert durven spelen, laat staan na een heel recital. Martha Argerich wist het al tien jaar geleden: Ivo Pogorelich is een genie.

    • Elly Salomé