Open Universiteit

De studenten voor wie de Open Universiteit bedoeld is, combineren studie met een betaalde baan, huishouden enz. Bij een halftime studie zouden de eerste afstudeerders (gestart in 1984) pas in 1993 verwacht hoeven te worden. Daarom is het artikel in W&O (14 maart) waarin wordt gezegd dat twee afgestudeerden sinds 1984 geen geweldige score is, nogal misleidend.

De cijfers wijzen uit dat van de eerste generaties studenten (1984 tot 1988) er na 8 tot 20 jaar naar verwachting tussen de 200 en 500 per jaarcohorte een doctoraaldiploma zullen halen, enkele misschien eerder (zoals de 2 genoemde).

Is dat veel of is dat weinig? De oorspronkelijke verwachting was dat er per jaar circa 3000 studenten zouden starten; het werden er 10.000.

Het zou niet moeilijk zijn die 10.000 terug te brengen tot ongeveer 2000: als de Open Universiteit een aanbod had dat gebaseerd was op een jaarsysteem (inschrijving eens per jaar), op een studietempo voor iedereen van 12 tot 15 uur per week en met alleen een doctoraalcurriculum, zoals de Britse Open University, zou zich waarschijnlijk zo'n aantal hebben aangemeld.

Wanneer dan ook nog een periode van 'voorlopige inschrijving' (zoals normaal in afstandsonderwijs) in acht genomen zou zijn, zou dat 1200 a 1500 beginnende 'echte doctoraal-studenten' per jaar hebben opgeleverd. En als daarvan 30 a 40 procent de eindstreep zou halen, zou iedereen die op de hoogte is van rendementscijfers in dit type onderwijs hebben gejuicht. (De Britse Open University scoort tegenwoordig circa 40 procent met een curriculum dat ongeveer driekwart is van het Nederlandse.) Het is echter onzinnig om bij de Open Universiteit het rendement uit te drukken in aantallen afstudeerders in een percentage van een begincohorte. Wanneer een kennismakingsperiode, studieplannen en studietijd in acht worden genomen, ontpopt zich minder dan 1 op de 5 studenten als een diploma-student die redelijkerwijze een WO-diploma zou kunnen behalen.

De winst van de Open Universiteit is juist dat al degenen die binnenkomen in Heerlen een reeks van alternatieven hebben die blijkbaar henzelf voldoening schenken en die in de maatschappij gewaardeerd worden: een waardevol studiepakket voor zelfstudie, een cursuscertificaat, een combinatie van certificaten, een Kort-Hoger-Onderwijs-diploma. In 1990 werden al ruim 30.000 cursuscertificaten verstrekt, ongeveer 400 propaedeusediploma's en 200 KHO-diploma's, en, ja, ook al 1 doctoraaldiploma.

De grootste vernieuwing die de Open Universiteit aan het brengen is, is een gigantische herdefinitie van het begrip hoger onderwijs. Maar dat is wennen voor journalisten, politici, onderzoekers en visitoren die willen vergelijken met de 'normale' universiteiten, en het liefst een, zogenaamd eenvoudig rendementspercentage hanteren.

Hoger onderwijs hoeft niet meer gelijkgesteld te worden met 'het bittere einde' van een mr-, drs- of ir-titel. Juist voor volwassenen, en ook voor de 'tweede kansers' onder hen, zijn er vele manieren om een 'einde' te bereiken.

    • Open Universiteit
    • G. van Enckevort Hoofd Onderzoek