Na eind van de koude oorlog is de wereld onoverzichtelijker en onveiliger geworden; Defensienota heeft twijfelachtige financiele basis

Omdat de recente Defensienota voldoende perspectief biedt voor adequate Nederlandse defensie-inspanningen binnen en buiten NAVO-verband, dient de herstructurering van de Nederlandse krijgsmacht door de volksvertegenwoordiging maatschappelijk verankerd en op de financiele uitvoerbaarheid vastgelegd te worden. Defensie mag geen sluitpost zijn op de nationale begroting; dat zou niet alleen het dienstplichtig en beroepspersoneel frustreren, maar vooral ook de Nederlandse internationale invloed aantasten.

Duidelijk moet zijn dat het voldoen van een verzekeringspremie in de vorm van een substantiele bijdrage aan defensie geen luxe of verspilling, maar noodzaak is; ook in een periode van bezuinigingen en lastenverzwaringen. De uitvoering van de defensienota dient dan ook zonder oneigenlijke ontsnappingsclausules door kabinet en de Tweede Kamer te worden gegarandeerd.

Natuurlijk hebben de ontwikkelingen binnen het voormalige Oostblok tot aanzienlijke veranderingen in de internationale verhoudingen geleid.

In de eerste plaats is er geen sprake meer van een dichte concentratie van Sovjet-troepen aan de grenzen van West-Europa en behoort een massale verrassingsaanval niet meer tot de militaire mogelijkheden.

Ook mist de Sovjet-Unie waarschijnlijk het economische draagvlak om grootschalige militaire agressie te ondersteunen.

Daar staat echter tegenover dat het potentieel van het Rode Leger niet wezenlijk verzwakt is terijl de KGB zowel binnen als buiten de Sovjet-Unie haar activiteiten heeft opgevoerd. Bovendien werkt ook de Sovjet-Unie aan een herstructurering en modernisering van haar krijgsmacht. De defensienota van Gorbatsjov is, in tegenstelling tot die van Ter Beek, echter niet openbaar. Daarboven blijft de Sovjet-Unie een geavanceerde kernwapenmacht.

In de tweede plaats valt, indien het daartoe komt, niet te voorspellen hoe een gewelddadige ontbinding van de Sovjet-Unie zal verlopen.

Hierbij denk ik niet alleen aan de interne strijd, maar ook aan de reacties van China, Turkije en Iran.

In de derde plaats blijft de Russische federatie (de kern van de huidige Sovjet-Unie), ook al is zij ontdaan van de randgebieden, een formidabele macht. Een kernmacht op de drempel van de EG en het naar nieuwe verhoudingen zoekende Midden- en Oost-Europa. Slechte economische prestaties en politieke instabiliteit kunnen er altijd toe leiden dat met militaire middelen naar compensatie wordt gezocht. In de vierde plaats is de Sovjet-Unie niet meer bereid of in staat om bevriende regimes of groeperingen in Midden- en Oost-Europa en in de Derde Wereld te matigen. Als voorbeeld noem ik de stabiliserende werking die in het Midden-Oosten uitging van de relaties van de Sovjet-Unie met Libie, Syrie, Irak en Jemen. De onuitgesproken Sovjet-Amerikaanse understanding, waarbij lokale conflicten slechts werden gedoogd voorzover deze het machtsevenwicht niet wezenlijk verstoorden, is geschiedenis. De bipolaire wereld van de koude oorlog bood zekerheden, die de multipolaire machtsconstellatie niet meer kan bieden. De wereld is onoverzichtelijker, minder voorspelbaar en daardoor onveiliger geworden.

NIEUWE RISICO'S

Militaire terugdringing van de Sovjet-macht of het internationale communisme is nu niet meer aan de orde. De directe dreiging is vervangen door een waaier van risico's. Een blocking force langs de scheidslijn tussen Oost- en West-Europa is niet meer nodig.

Noodzakelijk is nu een diepgaande bezinning op de nationale, bondgenootschappelijke en mondiale belangen van de Westerse landen, constante risico-analyse, een flexibel instrumentarium aan militaire afschrikkings- en interventiemiddelen en de bereidheid deze, indien noodzakelijk, in te zetten. De Golfcrisis heeft aangetoond dat afschrikking alleen niet voldoende is; rechtshandhaving en -herstel kunnen de opties van een actief economisch en militair ingrijpen niet ontberen.

Waar een militaire confrontatie tussen NAVO en Warschaupact in het verleden door de blokkering van de onderlinge militaire verhoudingen en de nucleaire dreiging, nauwelijks voorstelbaar was, is het daadwerkelijk inzetten van troepen in de nieuwe situatie een reele optie. De politici zullen bij crisisbeheersing en rechtshandhaving derhalve vaker en sneller dan in het verleden beslissingen moeten nemen over de daadwerkelijke inzet van militaire middelen. De Golfcrisis heeft aangetoond hoe moeilijk de afwegingen zijn waarvoor politici zich gesteld zien en hoe groot de rol van de politieke opinie daarbij is. Politici zullen de complexe materie van crisismanagement moeten beheersen en zullen moeten erkennen dat 'algemeen politiek inzicht' daartoe onvoldoende is. De politieke, militaire en diplomatieke top-managers zullen een constante dialoog met elkaar moeten aangaan, elkaars vak verstaan en bereid moeten zijn van elkaar te leren. In crisissituaties moeten zij direct met elkaar kunnen samenwerken op basis van genoemde ervaring, kennis en vertrouwen.

Op de topconferentie van Londen van medio 1990 is besloten de Navostrategie aan te passen aan de veranderde situatie in Oost-Europa en de Sovjet-Unie. Medio dit jaar dient een nieuw strategisch concept gereed te zijn. De militaire bijdragen van de bondgenoten dienen hierop te worden afgestemd. De contouren van dit nieuwe concept liggen echter al in hoofdlijnen vast.

Crisisbeheersing wordt een van de hoofdtaken van de NAVO. De instabiele situatie in de landen van het voormalige Oostblok en de grote nucleaire en conventionele Sovjet-strijdmacht gelden daarbij als risicofactoren. De NAVO zal van haar algehele opstelling voor ogenblikkelijke gereedheid voor het gevecht en haar blocking force overgaan op een reconstitution strategy.

De NAVO streeft in dit kader naar de vorming van mobiele en flexibel inzetbare eenheden, die snel in het verdunde operatiegebied kunnen worden ingezet. Tevens is het de bedoeling een luchtmobiele Quick Reaction Force op te richten, die ter beschikking staat van de Allied Commander Europe. De Westeuropese Unie (WEU) overweegt eveneens de vorming van zo'n snelle interventiemacht voor inzet buiten het NAVO-verdragsgebied.

KERNWAPENS

Kernwapens blijven de uiteindelijke garantie voor het voorkomen van militaire conflicten maar zij zullen een minder dominante rol vervullen dan voorheen (first use is als optie vervangen door last resort). De NAVO met haar geintegreerde commando-structuur blijft de kern van het Atlantische veiligheidsbeleid. Het CVSE-proces is een belangrijk middel om tot duurzame ontspanning in Europa te komen, doch vormt geen alternatief voor de NAVO.

De politieke rol van de NAVO zal toenemen. Crisisbeheersing vraagt een constante politieke beoordeling van belangen en risico's, consensus over de inrichting en ontplooiing van de krijgsmacht en commitment aan genomen besluiten. De NAVO biedt daartoe de politieke infrastructuur, militaire en diplomatieke deskundigheid. De accreditering van diplomaten uit de voormalige Oostblok-staten bij de NAVO versterkt deze rol. De mogelijke verhuizing van de WEU naar Brussel zou de Belgische hoofdstad een centrum voor vrede en veiligheid maken (NAVO, WEU, EG en EPU) en daarmee een vooraanstaand diplomatiek en militair centrum voor crisisbeheersing. De vestiging van het secretariaat van de CSVE in Brussel is in dit kader aan te bevelen.

De minister van defensie heeft reeds in een vroeg stadium besloten een samenhangend defensieplan op te stellen, dat aansluit bij de uitgangspunten van de nieuwe NAVO-strategie. De krijgsmacht heeft deze uitdaging met veel energie en overtuiging aangenomen. Daardoor is het plan-Volten (concentratie op bepaalde defensietaken) definitief naar de bureaulade verwezen. Nederland wenst een complete krijgsmacht in stand te houden. Naast de inkrimpingen en reorganisaties bij Marine, Landmacht en Centrale Organisatie, wordt de landmacht aan een drastische herstructurering onderworpen. De kwaliteit (technisch hoogwaardiger materieel en personeel) en omvang van de toekomstige Nederlandse inbreng in de NAVO sluiten aan bij de uitgangspunten voor een nieuwe bondgenootschappelijke strategie. Planning staat echter nog niet gelijk met daadwerkelijke uitvoering.

VREDELING

Het kabinet heeft weliswaar overeenstemming bereikt over een defensienota, die qua inhoud en qua motivering sterk is, maar de financiele onderbouwing daarvan is op zijn minst twijfelachtig. Een groot deel van de investeringen is daarbij verschoven naar de volgende kabinetsperiode. Binnen de defensietop wordt er derhalve voor gewaarschuwd dat verdere politiek gemotiveerde bezuinigingen de huidige plannen zullen doorkruisen. Hernieuwde prioriteitstelling is dan noodzakelijk, waarbij er sterk aan wordt getwijfeld of voldoende samenhang, omvang en kwaliteit in de Nederlandse defensiebijdrage kan worden gehandhaafd. Het schrappen van de nieuwe luchtmobiele brigade, de kern van de toekomstige Koninklijke landmacht, lijkt in zo'n geval een politiek gemakkelijke uitweg.

CDA-minister Van den Broek van buitenlandse zaken heeft veel eerder en duidelijker dan Ter Beek stelling genomen tegen het incasseren van een (nog) niet bestaand 'vredesrendement'. De PvdA-minister van defensie dient echter zijn eigen verantwoordelijkheden niet uit de weg te gaan.

Hij zal zich derhalve binnen en buiten het kabinet zeer sterk moeten maken voor een onverkorte uitvoering van zijn defensienota. Planning en uitvoering zijn twee verschillende zaken. Indien dit laatste in gevaar dreigt te komen dan zal de minister van defensie daaruit politieke consequenties moeten trekken.

De politieke geboorte van de defensienota doet terugverlangen naar het optreden van oud-minister van defensie Vredeling (ook PvdA), die een helder defensieconcept formuleerde en daarvoor de organisatorische, materiele en dus financiele voorwaarden schiep. Zijn uitspraak: 'Partijcongressen kopen geen straaljagers' heeft in politiek Den Haag nog lang nagegalmd.

In het voorafgaande is aangegeven dat een verantwoorde defensieplanning is gebaseerd op resp. risico-analyse, prioriteitstelling, besluitvorming, consensus en commitment.

Bezuinigingen zijn hoogstens het resultaat, niet het uitgangspunt van nieuw defensiebeleid. In een periode van economische stagnatie en het wegvallen van een duidelijke militaire dreiging zal de maatschappelijke bereidheid afnemen om de noodzakelijke financiele ruimte voor adequate defensie-inspanningen te scheppen. Het is aan de politiek om het klimaat te creeren waarin de noodzaak wordt onderkend om in de eigen veiligheid te blijven investeren. De behandeling van de Defensienota in de Tweede Kamer dient daartoe een eerste aanzet te zijn.