Hans Aarsman fotografeerde het alledaagse in straten van Oost-Duitsland; Het uitstel van de herkenning

Tot 9 april op de TU in Eindhoven, daarna gaat de tentoonstelling op reis naar Duitsland en Oostenrijk. Op de foto's van Hans Aarsman gebeurt nooit iets. Niemand trekt een gekke bek, nergens kruipt een schim of een schaduw door de straat, nooit zal je zien hoe twee mensen elkaar dolblij in de armen sluiten of elkaar als terriers te lijf gaan. De foto's van Hans Aarsman zijn uitgesproken saai, leeg, ontdaan van emoties.

Op diezelfde kleurenfoto's is heel veel te zien voor diegenen die dat willen zien. Het wijnrood van een vrachtwagen, links, komt merkwaardig overeen met een cirkel op een affiche, rechts in de hoek. Een meisje op een zebrapad grijpt met een hand naar haar hoofd. Waarom doet ze dat? In een van de honderd ramen van een treurig woonblok hangt een dame naar buiten te turen. Het hoofd een beetje weggezonken in de schouders. Onder haar, beneden op straat, is niets te beleven: Geen zwaaiende minnaar, geen ongeluk, geen schoolgaande kinderen. Waar kijkt ze dan naar?

Die vrouw bij het raam komt voor op foto's die Aarsman vorig jaar zomer heeft gemaakt in enkele Oostduitse steden. De straten zijn er doffer en grauwer. De mensen daar is minder kleur en minder groen gegund. Maar denk niet dat Aarsman de verloedering inventariseerde.

Zeker niet. Met de 'Ossi's' zelf wilde hij zo min mogelijk in contact komen. Hij ontweek hun oogopslag. Hun blikken zouden hem verdrietig maken. Zij zouden hem hebben verteld welke schoften het land bestuurden. Zij zouden zich hebben beklaagd. Altijd hetzelfde liedje, want het is moeilijk om met je eigen ellende om te gaan. Zij zouden zijn foto's hebben 'gekleurd', en dat mag niet. Voordat je het weet, fotografeer je andermans verhalen. De werkelijkheid heeft genoeg aan zijn eigen kleuren. Het liefst was hij fotograferend in zijn auto blijven zitten.

Maar af en toe moest hij voor een foto op zijn trapleertje klimmen. Op ooghoogte spelen auto's en gevels verstoppertje.

Aarsman legt vast wat de meeste passanten ontgaat. Er zijn zo veel details die niet willen opvallen. Men kijkt wel, maar ziet niet.

Gedachten dwalen af naar wat er komen gaat of wat er geweest is. Intussen trekken lotgenoten, straten en wijken als wolken voorbij. Wie staat er stil bij een man met een aktentas op het asfalt? De alledaagsheid is zelden een blik waardig.

De fotografie en de film hebben ons afgestompt, meent Aarsman. Zij doen ons geloven dat het leven alleen uit hoogtepunten bestaat. Vooral persfotografen zijn daar schuldig aan. Zij leggen vast wat verwacht wordt en eigenlijk al vaststaat. Een beeld-met-drama, aangescherpt om tot de verbeelding van de toeschouwer te spreken. De emoties van mensen worden te grabbel gegooid om trouw te zijn aan steeds weer dezelfde ideologie. Want er is een merkwaardig geloof dat een gebeurtenis alleen maar in een bepaalde vorm met steeds dezelfde symbolen indruk maakt op de toeschouwer. Daar heerst een consensus over, een samenzwering van professoren tegen amateurs.

Aarsman onttrekt zich aan die vervalsing van de werkelijkheid. Als er echt iets aangrijpends gebeurt, lijkt dat meestal helemaal niet op een foto of een film. Mensen kunnen bij een sterfgeval stil, onhandig en verward reageren. Omdat er op zo'n moment tranen wegblijven, tranen waarin foto's en films in grote hoeveelheden voorzien, kunnen ze er zelfs een schuldgevoel van krijgen. Je huilt niet, dus deug je niet.

We zijn zo gewend aan de esthetisering van ellende dat we een schreeuw op straat niet meer horen. De ontvankelijkheid voor het subtiele is verloren gegaan. Dat zegt Aarsman. Neem nu een foto van een oude heer in gezelschap van zijn slagschaduw in een donkere steeg. Ach, denkt men dan, de laatste schreden, alleen, op het smaller toelopende pad.

Dat associatieve verhaal is vaak verteld. We weten het wel. Daarom moet de kijker weer op ontdekkingstocht. Die herkenning, die continue bevestiging van wat we al weten, moet zo lang mogelijk worden uitgesteld.

De toeschouwer kan het alledaagse verbijzonderen. Dat doet Aarsman zelf ook. Hij is soms stomverbaasd over wat er voor zijn camera is verschenen. Hij krijgt alles op zijn foto's cadeau. De mensen en de dingen vallen hem toe. Hij creeert de schijn van het accentloze. Het is de vanzelfsprekendheid die tot verwondering moet aanzetten.

De afstandelijke fotografie van nu verwart men soms met onverschilligheid. Dat is onjuist, zegt de fotograaf. Die afstandelijkheid staat voor beheersing. In het dagelijks leven is beheersing onontbeerlijk. Onverschilligheid is iets anders. Je komt het in de schrijvende journalistiek wel tegen. Als iemand over 'peilloze diepten' schrijft, beweert men dat de taal tekortschiet. Dat is niet waar: De mens schiet tekort in zijn taalgebruik. Diezelfde cliches, diezelfde gemakzucht kenmerken de fotografie maar al te vaak.

Beelden moeten juist ontsnappen aan een fotografische vormgeving. Was de fotograaf maar een aap die zonder voorkennis op de Dam kon staan fotograferen. Helaas, hij weet teveel.

Misschien gaat hij binnenkort op een andere manier fotograferen. Mensen veranderen. Op zijn recente opnamen heeft hij wel naar iemands ogen gekeken: Zijn overleden vader, die thuis lag opgebaard. Theorieen verliezen soms ineens hun geldigheid. De fotograaf is er ook verbaasd over.