GRAHAM GREENE 1904 - 1991; Wachten op de grootste prijs

Wanneer zal jij eindelijk de Nobelprijs eens krijgen? vroeg Anthony Burgess toen hij een jaar of tien geleden met Graham Greene zat te praten in Antibes. “Ik wacht op een grotere prijs”, antwoordde Greene. Welke dan? vroeg Burgess. “Death. Let's go and eat lunch.”

Greene zei dat niet zomaar. Hij vond al in zijn jeugd het leven vaak moeilijk uit te houden van verveling. Boredom and despair dreven hem in 1923, toen hij 18 was, naar de hei met de revolver van zijn vader om Russische roulette te spelen: een kogel in een van de zes kamers, en dan vuren in je oor. De eerste vijf keer dat hij het deed werkte het opwindend. Na zes keer had hij ook daar genoeg van.

Drie jaar later, toen hij na zijn studie in Oxford een stage liep bij een plaatselijk blad in Nottingham, werd hij aangenomen in de katholieke kerk, omdat hij met een katholiek meisje wilde trouwen en misschien in het geloof ook iets voor zichzelf zou vinden. Ik herinner mij duidelijk mijn gevoel toen ik de kathedraal uitliep, schreef hij in het autobiografische boek over zijn jonge jaren in 1971, A sort of life: er was geen blijdschap in, alleen sombere zorg.

Die stemming heeft hij in zijn verdere leven soms tijdelijk overwonnen, wanneer hij op reis was en wanneer hij zijn boeken schreef. Twintig jaar geleden kondigde hij aan dat hij op zou houden met romanschrijven, maar hij ging natuurlijk toch door. De verveling zou hem te machtig geworden zijn zonder zijn werk. Hij had het nodig.

Greene had er bezwaar tegen als de term Greeneland gebruikt werd voor de wereld van zijn romans, alsof die alleen bestond in zijn verbeelding. “Dit is Indo-China, zou ik willen uitroepen, dit is Mexico en dit is Sierra Leone, zorgvuldig en waarheidsgetrouw beschreven”. Jawel antwoordden zijn critici dan, wat hij beschrijft is er wel maar een ander zou die landen niet zo overwegend karakteriseren met onvoldaanheid, somberheid, vervuiling en invaliditeit. “Mijn vroegste herinnering is dat ik in mijn kinderwagen zat bovenop een heuvel met een dode hond aan mijn voeten,” staat er in de autobiografie. Zulke herinneringen typeren minder de heuvels van Hertfordshire dan de visie van Graham Greene.

De lezers hebben zich niet laten afschrikken, door de onverkwikkelijke buitenwereld evenmin als door de onmacht van de hoofdpersonen. Zelfs dat Greene vaak vertelde van afvallige priesters, en anders van katholieke leken die niet konden voldoen aan hun verwachtingen van zichzelf, hebben zij voor lief genomen, al werd daarover gemopperd. De problemen van The power and the glory, The heart of the matter, The end of the affair, A burnt-out case zijn gesteld in termen die de meeste Engelsen en ook Nederlanders vreemd voorkomen; toch hebben zij veel aftrek gevonden.

Voor een deel kan het verklaard worden doordat de problemen vertaalbaar waren in meer algemene termen, van tekortschieten niet alleen tegen een levensleer maar tegenover onszelf. Toch is het verwonderlijk zo populair als de katholieke boeken van Greene geworden en gebleven zijn. Waarschijnlijk is zijn voornaamste aantrekkelijkheid gelegen niet in de personen en hun moeilijkheden maar in de vertelkunst van de auteur. Die heeft hem in staat gesteld ook uitstekende romans te schrijven zonder grote levensvragen, door hemzelf of zijn uitgever aangeduid als entertainments: Stamboul Train, The ministery of fear, The third man die vooral beroemd werd als film, Our man in Havanna.

De vertelkunst van Greene is voor een deel techniek die door theoretici geanalyseerd kan worden: het opvoeren van de spanning, het achterhouden van informatie, het voorbereiden van verrassingen. Een ander deel is niet analyseerbaar, en alleen voelbaar als het vermogen van sommige mensen om de aandacht van hun lezers of luisteraars vast te houden al zeggen zij maar wat. Zoudt u zeggen dat u stijl steeds droger is geworden? vroeg een van de weinige interviewers die Greene in een televisieprogramma gehad hebben, en dat woord is goed van toepassing maar zou bij een ander juist hetzelfde kunnen betekenen als saai. De droogte van Greene is innemend en zelfs verleidelijk, als een toon van iemand die alle moeite neemt om ons bezig te houden en het tegelijk best zou begrijpen als wij iets anders aan ons hoofd hadden.

In de loop van zijn schrijverscarriere is hij zich minder druk gaan maken om de religie en meer om de politiek. Hij trok al vroeg de aandacht met zijn anti-Amerikanisme, in The quiet American van 1955, en hij heeft zich daarna binnen en buiten zijn boeken vaak tegen Amerika uitgesproken. Ik zou eerder kiezen voor de Sovjet-Unie dan voor de Verenigde Staten, werd hij eens geacht gezegd te hebben, maar dat was verkeerd geciteerd, legde hij later uit. Had hij dan niet toch een sympathie voor het communisme, en daarom ook zo'n begrip voor overlopers zoals Kim Philby? Jawel, bij buien, en dan weer niet in andere stemmingen: wat hem boeide waren vooral verdeelde en wisselvallige loyaliteiten. Waar hij zich tegen keerde dat waren autoritaire en gewelddadige regimes, en de Amerikanen wanneer zij die steunden.

De late romans, zoals Travels with my aunt, The honorary consul, The human factor en Dr. Fisher of Geneva getuigen van zijn betrokkenheid bij de politieke conflicten, hoewel het woord betrokkenheid omzichtig op hem moet worden toegepast. Hij zag zich vanouds als de waarnemer die de dingen bij hun naam noemt, niet als een hervormer. Bij zijn politieke bemoeienissen was het onderscheid af en toe onzeker, maar hij bleef een dubbelzinnige man, verdeeld ook in zijn eigen gezindheid.

Hoe belangrijk zijn werk is zouden wij graag op de dag na zijn dood eventjes vaststellen. Zeer belangrijk, of tamelijk belangrijk, of beter dan middelmatig, in al zijn werk, of in een deel van zijn werk?

Eenstemmigheid bestaat er alweer niet over. Anthony Burgess, gisteravond aan de telefoon bij een BBC-programma, was in een stemming (het is nooit helemaal zeker wat hij op een andere dag zou zeggen) om hem zo niet naar de vernederende tweede, dan naar de anderhalfde rang te duwen; Piers Paul Read, gevoelig en keurig, zette hem terug op de eerste.

Als we zijn werk opslaan vinden wij bijvoorbeeld in The heart of the matter Scobie aan het denken over zijn gevoel voor het meisje Helen: “Hij wist uit ervaring hoe de hartstocht afsterft en de liefde verdwijnt, maar het medelijden blijft. Niets doet ooit af aan het medelijden. De omstandigheden van het leven voeden het. There was only a single person in the world who was unpitiable, oneself”.

En wie Greeneland van buiten wil waarnemen kan aan het begin van part 2 van The Comedians, de roman van 1966 die in Haiti speelt, nakijken hoe de onschuldige Amerikaanse vegetarier Smith in het postkantoor wordt ingesloten door verminkte bedelaars, door de verteller Brown bevrijd moet worden, en later weer onverstoorbaar praat over zijn plannen om in dit land een vegetarisch centrum op te richten.

Het zijn allebei indrukwekkende passages bij het terugzien. Vroeger toen wij ze lazen was de auteur nog in de buurt, en gingen ze over onze eigen tijd. Nu zijn ze het verleden ingegaan, en ze hebben erbij gewonnen dat ze los staan van de actualiteit. De schatting van Greene's betekenis door Piers Paul Read lijkt mij beter dan die door Burgess. Wij zijn nog niet van hem af.