Eenvoud is geen Europese deugd

In het overleg over een nieuwe veiligheidsstructuur voor Europa golven twee lijnen door elkaar, wat de discussie er niet helderder op maakt. Veiligheid en defensie zijn blijkbaar geen parallellen. Veiligheid komt voort uit vertrouwen, defensie uit wantrouwen, maar als dat wantrouwen gerechtvaardigd is, verhoogt defensie de veiligheid. Een voorbeeld van dit laatste: als Koeweit sterk genoeg was geweest of indien het bij voorbaat over een geloofwaardige garantie van buiten had beschikt, was ook Irak mogelijk beter af geweest - indien het daarom van een aanval op het emiraat had afgezien. De theorie van veiligheid door verzekerd machtsevenwicht komt uit een dergelijke wijze van beschouwen voort.

Indien Europa het Midden-Oosten voorhoudt dat het een eigen conferentie over veiligheid en samenwerking moet opzetten (de eerste lijn), suggereert Europa dat het zelf inmiddels in de CVSE een hoger plan van interstatelijke omgangsvormen heeft bereikt en dat de veiligheid op het oude continent voorbeeldig is gebaseerd op vertrouwen en niet langer op machtsevenwicht. Indien de Verenigde Staten die suggestie voor het Midden-Oosten enigszins voorbarig achten en duidelijk maken dat zij al tevreden zouden zijn met een duurzaam machtsevenwicht (de tweede lijn), geven zij niet alleen uiting aan hun beoordeling van de toestand in het Midden-Oosten maar ook aan hun analyse van de Europese situatie. Wel is er ook volgens Washington veel veranderd als gevolg van de mislukking van Brezjnevs inhaalmanoeuvre.

Europa heeft een drietal redenen om te kiezen voor veiligheid door vertrouwen, een historische en twee futuristische. De in West-Europa gesitueerde Gemeenschap heeft aangetoond dat chronisch geworden vijandschap kan worden overwonnen en kan worden omgezet in duurzame en veelbelovende samenwerking. De betrekkingen met de Sovjet-Unie zouden uiteindelijk op hetzelfde beginsel kunnen worden gefundeerd. Tegenover de vrij geworden Oosteuropese volken heeft West-Europa een ideologische verplichting: hun zal het perspectief moeten worden geboden op volledige integratie in het verenigde, vrije en welvarende Europa van straks.

Maar hoewel dus de geschiedenis vertrouwen rechtvaardigt, blijft er onzekerheid bestaan of dat vertrouwen op grotere verbanden dan de tegenwoordige Gemeenschap van twaalf lidstaten mag en kan worden toegepast. Het vertrouwen wordt belichaamd, zoals gezegd, in de CVSE, de onzekerheid in de NAVO. De Atlantische Verdragsorganisatie heeft weliswaar vorig jaar in Londen erkend dat vertrouwen een van de fundamenten van de Europese veiligheid moet zijn en zij heeft dan ook alle leden van het (nu opgeheven) Warschaupact de vriendenhand gereikt, tegelijkertijd heeft zij het 'slechtst denkbare geval' niet uit haar gedachten willen bannen. Daar lijken de wegen zich te scheiden: de Amerikaanse en de Europese weg.

Niet dat het Europa van de Twaalf zich niet wil voorbereiden, althans in gedachten, op het slechtst denkbare, maar zij wil daarbij een zekere vrijheid van handelen verwerven. De NAVO moet blijven als een 'facilitair bedrijf' in de wetenschap dat defensie niet kan zonder toegepaste Amerikaanse militaire technologie en beschikbare capaciteit (denk aan transport, waarneming, communicatie, bevelvoering over, zonodig, intercontinentale afstanden). Maar binnen die cirkel moet er ruimte worden gemaakt voor 'onafhankelijk' Europees optreden, voor - anders gezegd - een Europese beslissing waar en wanneer veiligheid gebaseerd op vertrouwen moet overgaan in een of andere vorm van defensie - die wel degelijk gewapende interventie kan inhouden.

Voorbeelden zijn al bedacht: grensoverschrijdende etnische en-of sociale conflicten in Oost-Europa en eventueel in een uiteenvallende Sovjet-Unie, militaire en sociaal-economische bedreigingen vanuit Noord-Afrika en het Nabije en Midden-Oosten, kortom in en vanuit wat West-Europa wel zijn periferie noemt. Binnen de NAVO wordt dit als de 'out of area'-problematiek omschreven, problemen buiten het verdragsgebied. Zodra we het 'allerergste' - een herleving van de Sovjet-dreiging tegenover Europa - in de overwegingen betrekken, een 'theoretische' mogelijkheid, zijn we terug bij 'af': de NAVO is dan weer competent, het militaire reservoir in de Verenigde Staten zelf geactiveerd.

Uit dit denkraam komen verschillende scenario's voort. Het Europa van de Twaalf zegt bevreesd te zijn voor een 'renationalisatie' van de defensie nu het Sovjet-gevaar is geweken. Weliswaar behoudt Frankrijk zich zijn soevereine rechten voor die voortvloeien uit zijn grondwet en uit zijn nucleaire strategie, maar op een lager niveau wil het toch meewerken aan en zelfs het voortouw nemen bij het ontstaan van een Europese veiligheids- en defensiepolitiek. Middel daartoe moet worden de West-Europese Unie, het verbond van negen Europese landen die elkaar onmiddellijke en onvoorwaardelijke bijstand hebben toegezegd in geval van agressie tegen een of meer van hen.

Voor eventueel optreden buiten Europa is de schepping van een 'snelle reactie- (lees:interventie-) macht' in voorbereiding - zie voor het Nederlandse aandeel daarin de jongste Defensienota. De WEU zal troepen bestemd voor die macht moeten kunnen plukken uit het NAVO-reservoir van Europese NAVO-leden en uit de strijdkrachten van Frankrijk en Spanje - beide lid van de NAVO maar niet deelnemend aan de Atlantische militaire structuur.

De Bondsrepubliek, een van de gangmakers van het idee van een Europese defensie, zorgt hier voor complicaties. De Duitse grondwet zou het onmogelijk maken Duitse troepen buiten het NAVO-gebied in te zetten.

Slechts voor de optie van 'blauwhelmen' zou een constitutionele meerderheid in het Duitse parlement te vinden zijn, maar dat zou weer betekenen dat een Europese gewapende interventie voor wat het Duitse aandeel daarin betreft van Amerikaanse, Sovjet- en Chinese instemming afhankelijk wordt. Landen als Frankrijk, Italie, Nederland en Belgie blijken er problemen mee te hebben dienstplichtigen 'overzee' te zenden. Dat zijn fysieke limieten die in de discussie niet overbelicht worden, maar beslissend kunnen zijn voor de verwezenlijking van een en ander.

De voorraad ingewikkeldheden is hiermee nog niet uitgeput. De Belgische minister van buitenlandse zaken heeft onlangs een blokkade voor de verdere ontwikkeling van Europa opgeworpen. Volgens de bewindsman zullen de Twaalf hun veiligheids- en defensiepolitiek snel moeten voltooien opdat van nieuwe leden de omhelzing van die politiek als voorwaarde vooraf kan worden geeist. Een ballotage die voor Oostenrijk, laat staan voor de voormalige satellieten, met een blik op het Kremlin, onoverkomelijk zou kunnen zijn. Er nog van afgezien dat de opneming van de voormalige DDR in de Westelijke defensie hoofdzakelijk formele betekenis heeft: andere dan Duitse eenheden worden er niet toegelaten, ook niet nadat het Sovjet-leger er zal zijn verdwenen.

Onbeantwoord blijft de vraag waarom Europa zijn keuze niet beperkt tot NAVO en CVSE - daartussen de intergouvernementele WEU voor landen die van plannen maken over defensie niet genoeg kunnen krijgen. InNAVO en CVSE is de Atlantische component aanwezig en kan er volop van die 'faciliteit' gebruik worden gemaakt. De NAVO is er dan voor het zekere, de CVSE voor het mogelijke, via de Atlantische dwarsverbinding lopen zij synchroon. De Noord-, Midden- en Oosteuropese landen kunnen lid worden van de Gemeenschap zodra zij er economisch, ideologisch en bestuurlijk aan toe zijn, maar zij behoeven niet de horde van een Europese Defensie te nemen. Bovendien behoeft NAVO-lid en op afstand gehouden, maar geassocieerd EG-kandidaat Turkije niet dubbel, economisch en politiek-militair, te worden buitengesloten.

Voor optreden buiten het NAVO-verdragsgebied is onder dergelijke omstandigheden iedereen welkom die een aandeel kan leveren. Onder Amerikaans bevel zodra het menens wordt, onder een ad hoc opengevouwen Europese paraplu desgewenst en voorzover het om de voorbereiding gaat, met de zegen van de Verenigde Naties als deze organisatie in staat is haar opdracht te vervullen - zoals in de crisis om Koeweit.

Maar eenvoud is geen Europese deugd.