Doof geboren babies brabbelen ook, maar dan in gebarentaal

Babies die doof geboren zijn, brabbelen in gebarentaal. Ze produceren hun eerste 'echte' handgebaren op dezelfde leeftijd, zo rond tien tot twaalf maanden oud, als waarop horende kleintjes hun eerste woordjes brabbelen. Dat blijkt uit een onderzoek van twee psychologen van de McGill Universiteit in Montreal. Zij bestudeerden de taalontwikkeling van twee volledig dove babies, die door hun eveneens dove ouders met gebarentaal werden grootgebracht. Ter vergelijking dienden drie niet-dove babies van niet-dove ouders.

Gebrabbel wordt door de meeste taalkundigen niet als een taal-, maar als een spraakgebonden fenomeen opgevat, een oefening dus in het leren omgaan met organen als stembanden en strottehoofd. De ontdekking dat dove kinderen op min of meer dezelfde wijze leren 'brabbelen' met hun handen, doet echter volgens de Canadese onderzoekers vermoeden dat het hier om een abstract taal-leerproces in de hersenen gaat.

Bij onderzoek naar de taalontwikkeling van kleine kinderen is het gebruikelijk om alle geluiden die ze voortbrengen systematisch in kaart te brengen, eerst losse klanken en vanaf zeven tot tien maanden ook lettergrepen in de trant van 'babababa', 'dadadada' als eerste stap in de ontwikkeling van een volwassen taalsysteem. Op dezelfde manier werden in dit onderzoek alle handgebaren van de vijf babies in het onderzoek geregistreerd aan de hand van video-opnamen, gemaakt op een leeftijd van 10, 12 en 14 maanden. Elk gebaar, zowel de stand van de hand als de positie in de ruimte, werd opgenomen in een computerbestand. Daarbij werd tevens aangegeven of het gebaar met of zonder voorwerp in de hand werd gemaakt, een gebruikelijke betekenis had (bijvoorbeeld armpjes uitstrekken om opgetild te worden) of een standaard teken was in de Amerikaanse standaard-gebarentaal American Sign Language (ASL) waarvan de dove ouders zich bedienden.

Hieruit bleek dat dove en niet-dove kinderen evenveel en vergelijkbare 'gewone' gebaren maakten. Maar de dove kinderen besteedden het merendeel van hun bewegingen aan echte gebarentaal. Daarbij brachten ze 13 van de 40 bestaande 'handstanden' (fonetische symbolen) voort plus 13 van de 24 bestaande handbewegingen (lettergrepen). (Ter vergelijking: de niet-dove kinderen in de controlegroep maakten maar drie fonetische handgebaren plus een handbeweging).

Verrassend was verder, dat de dove babies een duidelijke voorkeur aan de dag legden voor een viertal lettergrepen, die ze vanaf een leeftijd van zeven tot tien maanden ook steeds herhaalden (precies zoals hun niet-dove leeftijdsgenootjes dat met klanken doen). Daarna gingen ze geleidelijk, rond 12 tot 14 maanden, over op patronen vergelijkbaar met het vocale stadium van niet-dove babies: in plaats van reeksen geluiden die klinken als echte zinnen, maar geen betekenis hebben, maakten de dove babies overtuigende gebarenreeksen, in het juiste ritme en met speciale nadruk op bepaalde gebaren, maar zonder echte betekenis. De eerste echte 'woorden' in gebarentaal werden gemaakt op dezelfde leeftijd waarop de andere kinderen hun eerste echte woordjes zeiden: rond tien tot twaalf maanden.

Blijkbaar, zo wordt geconcludeerd, gaat het hier niet om de ontwikkeling van specifieke motorische vaardigheden, (die zijn namelijk voor spraak en gebarentaal zeer verschillend) maar om het aanleren van abstracte taalpatronen. Het feit dat beide groepen kinderen zich in hetzelfde tempo ontwikkelden duidt erop dat hiervoor in de hersenen een bepaalde taalcapacteit aanwezig is, onafhankelijk van de spraakorganen. (Science, 22 maart)