'Dit gebouw is niet leefbaar, dit gebouw kost leerlingen en leerkrachten!'

De School voor Praktische Vorming in Apeldoorn is een bijzondere school. Er wordt bijzonder onderwijs gegeven aan speciale leerlingen, door leraren die geen leraar heten maar groepsleerkracht of ambulante begeleider. Ze geven Algemeen Vormend Onderwijs, geen aparte vakken. Daardoor zijn ze al moeilijk van elkaar te onderscheiden, maar ze heten ook nog allemaal Rob, behalve een, die heet Eugene.

In de middagpauze komen de leraren bij elkaar in een bijzondere lerarenkamer. Deze is klein, hij staat bomvol meubilair, aan de muur hangen roosters, kalenders, foto's, knipsels en een erg groot macrame-werkje. Boven de deur hangt een schilderij. Temidden van de chaos zit een groepsleerkracht te telefoneren, is de secretaresse aan het typen en deelt de kookjuf een exquise warme maaltijd rond, die door de leerlingen is klaargemaakt in de kookles.

'Leuk is het hier.' zeg ik. Eugene kijkt me aan alsof ik niet goed bij mijn hoofd ben, de secretaresse glimlacht: 'Dit is de enige ruimte die we hebben, hier moet alles gebeuren. Als de dokter op school komt, houdt hij hier spreekuur, de orthopedagoog, de psycholoog, de logopediste, iedereen moet hier zitten, want we hebben niks anders.

Voor de kinderen is er niet eens een overblijflokaal, dus we mogen nog blij zijn dat we hier kunnen eten tussen de middag.'

'Als er ouders op school komen om te praten, moeten we ze ook hier ontvangen,' zegt Eugene, 'Dat is toch vreselijk! Deze school moet structuur bieden aan leerlingen, die daar meer behoefte aan hebben dan de doorsnee leerling. Hoe kun je structuur bieden in zo'n chaos? Dit gebouw is niet leefbaar, dit gebouw kost leerlingen en leerkrachten!'

Iedereen knikt instemmend, maar eet smakelijk verder. 'Te weinig zout.' mompelt een Rob. Een andere Rob staat voor het raam naar leerlingen op het schoolplein te gebaren. Ze willen iets van hem.

'Pauze,' doet Rob, 'Niet storen. Eerst eten. Zoek het onderling maar uit.'

'Wat is er?' vraag ik. 'Weet ik veel,' zegt Rob, 'Iemand heeft aan iemand anders z'n fiets gezeten.' Hij keert terug naar zijn bord rijst. Met een zucht beeindigt de leraar aan de telefoon zijn gesprek. 'Ik heb geen tijd om te eten', klaagt hij en draait een nieuw nummer. Ik luister naar de gesprekken naast me. Links hebben ze het over de VUT, rechts over champignons. Ik buig me over naar de champignons. 'Die waren te zout.'

zegt Rob. 'Heb je het nu weer over zout?' vraag ik. 'Het ligt aan zijn achtergrond,' zegt Eugene, 'Hij is van boerenafkomst. Ik heb nog wel een likblok in mijn lokaal.' biedt hij Rob aan, maar die is al weer met iets anders bezig.

Eugene inmiddels ook, hij heeft het nu over het schilderij boven de deur waarop een zeeslag te zien is. 'Hoeveel schepen zie je?', vraagt Eugene. Het is een standaardgrapje van de lerarenkamer, alle nieuwkomers moeten tellen. Ik zie er twee, maar er schijnen er nog meer te zijn.

'Het is de zeeslag bij Chatham.' zegt Eugene, '1651-1652. De lijst is antiek, het is een erfstuk.'

'Die lijst mag je wel eens afboenen,' vindt de kookjuf, 'misschien komt er wel goud onder vandaan.'

Ik ben nog geen half uur op de School voor Praktische Vorming maar ik raak al een beetje buiten adem. Dit is een erg levendige lerarenkamer.

'Zo levendig, dat je er dood van zou blijven.' knikt Eugene. De borden worden op elkaar gestapeld. Wie doet de afwas?

'De leerlingen,' zegt een Rob, 'dat hoort bij het leerproces. Daar worden ze maatschappelijk redbaar van. De leerlingen doen alles hier.

Ze bakken ook taart.' Als door een angel gestoken vliegt de kookjuf overeind. 'De taarten, de taarten!' roept ze en rent de lerarenkamer uit. Even later staat Rob ook op. Als hij de deur uitloopt, klinkt er een keiharde klap. Met een van pijn vertrokken gezicht grijpt hij naar zijn hoofd. Iedereen kijkt mij grijnzend aan. Zogenaamd tegen de deurpost lopen is ook een standaardgrapje.

Welke school heeft binnenkort een reunie? Yvonne Kroonenberg wil graag een uitnodiging. Schrijf naar NRC Handelsblad, Paleisstraat 1, 1012 RB, Amsterdam.