De drie betekenissen van retoriek; Ook in de wetenschap is gelijk krijgen vaak belangrijker dan gelijk hebben

J. van Dongen: Retoren en demokratie; funkties en disfunkties van de retorika in klassiek Athene. Diss. Groningen, 1990. A.D. Leeman en A.C. Braet: Klassieke retorica; haar inhoud, functie en betekenis. Wolters-Noordhoff-Forsten, Groningen, 1987. J.R. Nelson e.a. (red.): The rhetoric of the human sciences; language and argument in scholarship and public affairs. Un. of Wisconsin Press, Madison, 1987. H.W. Simons (red.): Rhetoric in the human sciences. Sage, Londen etc., 1990.

Op 22 augustus 1990 laat Saddam Hussein per open brief weten bereid te zijn tot overleg over alle problemen van het Midden-Oosten. Nog dezelfde dag doet president Bush deze demarche af als 'dezelfde retoriek die we al eerder van hem hebben gehoord'. Op 10 december 1990 schrijft een krant over Lech Walesa dat hij in het presidentiele paleis te Warschau zit 'als gevangene van zijn eigen retoriek'. Het is duidelijk - in het moderne spraakgebruik staat retoriek voor: valse en onoprechte, of loze en bombastische taal.

Maar 'retoriek' of 'retorica' kan - beter gezegd kon - ook een positieve inhoud hebben. Eens betekende het welsprekendheid, en dan vooral van een bepaald soort: erop gericht te overtuigen en te overreden. Eeuwenlang gold, dat wie er prijs op stelde zijn boodschap goed aan het publiek over te brengen, zich in die retorica bekwaamde.

De laatste jaren heeft retoriek er een derde betekenis bijgekregen, een die noch positief noch negatief, maar louter constaterend van aard is. Het gaat er daarbij om vast te stellen welke rol overredingstechnieken spelen in de maatschappelijke discussie. Dat die rol groot is in politiek en commercie gelooft iedereen zo wel.

Pikanter wordt het als we wat dit betreft naar de wetenschap kijken. Op welke wijze proberen geleerden hun gelijk te halen bij vakgenoten en bij het grotere publiek? Hanteren zij daarbij uitsluitend wetenschappelijke argumenten of maken ook zij gebruik van zoiets ordinairs als retorische tactieken en trucs? Zo ja, hoe dan?

Juist deze vragen krijgen thans, vooral in Amerika, veel aandacht. Er worden symposia over gehouden en boeken over volgeschreven. Er bestaan al leerstoelen op dit gebied en de bezetters daarvan hebben, zoals we nog zullen zien, geen geringe pretenties als het erom gaat te verklaren waarom de wetenschap is zoals ze is. In het navolgende zullen we aan 'retoriek' in alledrie de onderscheiden betekenissen aandacht besteden.

De retorica is een schepping van de klassieke oudheid. In het Athene van de vijfde eeuw voor Christus worden retoren belangrijk. Dan, in de vierde eeuw, ontstaat het beroep van leermeester in de retoriek.

Isokrates, zelf zo'n leermeester, weet al 28 anderen met name te noemen. De opleiding die zij verschaffen, duurt zo'n vier jaar en kost 1000 drachmen. De eerste leerboeken der retoriek verschijnen, onder andere een geschreven door Aristoteles.

In het oude Rome bereikt de retorica haar hoogtepunt met het werk van Cicero (55 voor Christus). Zij verwerft zich een vaste plaats in het curriculum en die blijft de hele Middeleeuwen door behouden. In de Renaissance krijgt zij nog eens een extra impuls. In Nederland zijn er tot een eindweegs in de 19de eeuw hoogleraren die de Welsprekendheid mede als hun opdracht hebben.

Een professoraat in de welsprekendheid hoeft voor mij niet, maar het is wel goed te beseffen dat wij van die klassieke retorica het een en ander kunnen leren. Juist binnen de wetenschap. In de oudheid was het gesproken woord belangrijker dan het geschreven woord; de retorica heeft dan ook in de eerste plaats betrekking op de mondelinge voordracht. Wat mij iedere keer weer verbijstert is hoe weinig zorg - retorische zorg dan - moderne sprekers aan hun voordracht besteden.

Door de bank genomen tenminste. Dat geldt ook, misschien zelfs bij uitstek, voor serieuze geleerden.

Bijna alsof zij zich schamen behalve op de inhoud ook op de vorm te letten (en alsof die twee te scheiden zouden zijn). Hoe vaak gebeurt het niet dat een spreker, staande voor een zaal vol mensen, tot de beschamende ontdekking komt dat hij veel te veel stof heeft. Hij heeft dus niet eens de moeite genomen thuis te oefenen met de klok erbij! In paniek slaat hij dan hele stukken over en besluit de rest in godsnaam maar in razende vaart af te raffelen. Het gehoor rest weinig anders dan, beleefd suffend, het einde (en de koffie) af te wachten.

Velen durven het niet aan uit het hoofd (of aan de hand van punten) te spreken en schrijven hun betoog uit. Op zichzelf is daar niets op tegen, mits zij er rekening mee houden dat een gesproken tekst heel, heel anders moet zijn dan een die a tete reposee bestudeerd wordt. Jan Romein, de historicus, schreef alles op wat hij in het openbaar zeggen moest, maar gebruikte daarbij al zijn oratorisch vernuft; zelfs haperingen - waarbij hij zogenaamd zocht naar het meest treffende woord - bouwde hij in.

Maar de antieke retorica kan ook van pas komen bij teksten die voor boek of tijdschrift bestemd zijn. Ik licht er een stelregel uit: Ars est celare artem, letterlijk: 'De kunst is de kunst te verbergen'. Het moet allemaal heel vanzelfsprekend lijken wat je schrijft, alsof de tekst moeiteloos uit de pen gevloeid is. Hetgeen natuurlijk alleen te bereiken valt door er eindeloos aan te schaven en honderd kunstgrepen toe te passen. Een dame complimenteerde de dichter W.H. Auden eens met de leesbaarheid van zijn werk. 'Madam', antwoordde hij, 'your easy reading is my hard writing.' Zo is het precies! Alleen, het is niet ieders ideaal voor 'easy reading' te zorgen.

Men kan tegenwerpen dat we in een haastige tijd leven en niet in de gelegenheid zijn zoveel aandacht aan ieder werkstuk te besteden.

Trouwens, we halen op die manier ons quantum niet: het door faculteit of universiteit voorgeschreven aantal pagina's of artikelen per jaar.

Hier stuiten we op een ongerijmdheid. 'Publiceer meer', is het moderne devies. Maar ook nu al komt jaarlijks een vloed van inkt op ons af.

Het aantal wetenschappelijke tijdschriften, om dat punt alleen te noemen, groeit met de dag. Letterlijk. Het zijn er nu al bijna 110.000. Niemand is meer in staat al het geschrevene te overzien, zelfs niet waar het gaat om zijn eigen, afgeperkte specialisme. Er zou dus veeleer een premie moeten staan op zwijgen: wie jaren wil werken aan iets heel goeds, krijge daartoe de kans. En trouwens, wie niet echt iets te melden heeft, late zijn tekstverwerker onberoerd. Ik weet het: er is tegen dit standpunt van alles in te brengen, maar toch.

Als de retoriek zoveel nuttigs bevat, hoe komt het woord dan aan zijn ongunstige bijklank? Die had het al in de Griekse oudheid: retoren hadden bij het volk de reputatie louche lieden te zijn (waarschijnlijk zelfs meer dan zij verdienden). Dat komt door het element van overreding dat zo belangrijk was in die antieke retorica. Het ging er de retoren immers niet zozeer om gelijk te hebben als wel om gelijk te krijgen. Met wat voor trucs dan ook.

Dit streven had zelfs een filosofische grondslag waaraan de naam van Gorgias verbonden is. Volgens deze is ware kennis onbereikbaar, er zijn slechts meningen, en die kunnen we met retorische middelen naar onze hand zetten. Daarmee kunnen we 'kleine dingen groot, grote dingen klein' doen lijken, en 'de zwakkere redenering sterk, de sterkere zwak'.

Het gaat hier om problemen die ook nu nog volop spelen. Niet alleen de vraag of er 'ware kennis' mogelijk is, ook de meer praktische vraag hoe iemand een wetenschappelijke discussie wint. Gebeurt dat omdat hij de beste argumenten heeft of omdat hij zijn argumenten het beste brengt?

De onlangs overleden historicus A.J.P. Taylor was een begenadigd spreker. Zijn meest controversiele boek was The Origins of the Second World War, waarin hij betoogt dat Hitler niet op een oorlog heeft aangestuurd maar er door de omstandigheden in terecht kwam. Zijn opvatting werd hevig bestreden door de al even befaamde historicus H.

Trevor-Roper. De controverse werd uitgevochten in een televisiedebat, dat Taylor ruimschoots won. Slechts het handjevol mensen dat de feiten kende, was niet overtuigd, zegt zijn necroloog er droogjes bij. Met dit voorbeeld zijn wij aanbeland bij de derde betekenis die wij aan het begrip retoriek hebben gehecht.

Een fraai voorbeeld van het moderne retoriek-onderzoek is te vinden in een bijdrage van John Angus Campbell (1987) over de werkwijze van Charles Darwin. Toen Darwin zich op 20 juli 1858 ertoe zette zijn Origin of Species te schrijven, was hij zich er zeer van bewust dat hij een revolutionaire en hoogst controversiele leer aan de man te brengen had. Om zijn vakgenoten te overtuigen gaf hij voor dat zijn werkwijze een strict inductieve was geweest - want de inductie gold in die tijd als de respectabele wetenschappelijke methode. Hij schreef: ''Aan boord van de 'Beagle' als natuuronderzoeker zag ik zekere feiten, die mij enig licht leken te werpen op het raadsel van de oorsprong der soorten. Thuisgekomen bedacht ik dat ik misschien verder zou komen door geduldig feiten te verzamelen die iets met het onderwerp te maken hadden. Na vijf jaar stond ik mijzelf toe over het onderwerp te gaan speculeren.''

In zijn autobiografie zegt hij het nog pertinenter: ''Ik werkte volgens strikt Baconiaanse principes en verzamelde feiten op grote schaal zonder enige theorie.''

In zijn dagboeken en zijn correspondentie laat hij zich echter heel anders uit. Bijvoorbeeld in een brief uit 1861: ''Vroeger was er vaak sprake van dat een geoloog alleen moest observeren, niet theoretiseren. Hij zou dus als geoloog bij een afgraving de kiezelstenen kunnen gaan tellen en sorteren op kleur! Gek toch dat er mensen zijn die niet inzien dat een waarneming dan pas iets gaat betekenen als je haar kunt gebruiken voor of tegen een bepaalde zienswijze.''

Moeten we daarom zeggen dat Darwin bedrog gepleegd heeft? Vroom bedrog dan toch. Bovendien zitten mensen niet zo rechtlijnig in elkaar, dat geldt waarschijnlijk ook wel voor een groot geleerde als Darwin: hij heeft de betuigingen over zijn inductivisme toen hij ze opschreef misschien wel half geloofd. Interessant is tenminste dat hij volgens Campbell op zijn oude dag werkelijk meende dat het allemaal gegaan was zoals de positivistische theorie van zijn dagen zei dat het had moeten gaan.

Wie om zich heen kijkt in de huidige wereld van de wetenschap, ziet alom retorische taktieken. Hebben we enige zelfkennis, dan constateren wij deze ook bij onszelf. We gebruiken technische termen (liefst Engelse) waar gewone woorden zouden volstaan; we imponeren onze lezers met lange literatuurlijsten en een omvangrijk notenapparaat; we meten onderzoektechnische en statistische vaardigheden breed uit, ofschoon we die toch ook maar uit een boekje hebben; we verhullen de schamelheid van een onderzoekje met gewichtige theoretische uitweidingen; we trachten indruk te maken met pompeuze herhalingen, soms net even in andere woorden. Een veelvuldig toegepaste kunstgreep is aan te leunen tegen het gezag van de groten uit ons vak. We schrijven niet eenvoudig: 'Voor niks gaat de zon op', we schrijven liever: ''Zoals Max Weber-Durkheim-Malinowski terecht opmerkt, fur nichts geht die Sonne auf - pour rien le soleil se leve - for nothing the sun rises.''

Waar ik speciaal nog de aandacht op vestigen wil is het gebruik van hooggestemde doch duistere en ondoorgrondelijke taal als retorisch wapen. Iemand als Levi-Strauss heeft daarmee opmerkelijke successen geboekt. Ik neem tenminste aan dat de bewondering die zovelen voor hem koesteren ook met zijn manier van schrijven te maken heeft. Lezers zijn blijkbaar geneigd te denken: ik begrijp het niet helemaal (of helemaal niet), die man moet dus wel onmetelijk geleerd zijn. Een bijkomend voordeel is dat je bij kritiek altijd zeggen kunt dat je verkeerd begrepen bent. Levi-Strauss - voor zover hij zich tenminste verwaardigt op kritiek in te gaan - heeft zich van die mogelijkheid herhaaldelijk en zonder schaamte bediend.

Ik wijs er terzijde op dat zijn presentatie uitstekend past in de Franse retorische traditie in de wetenschap. Die is namelijk anders dan de Engels-Amerikaanse: minder zakelijk, meer erop gericht te schitteren en te epateren.

Het is niet eenvoudig taalgebruik als van Levi-Strauss te ontleden. De Engelse antropologe Francis Korn heeft er zich aan gewaagd. Ze heeft gedacht: laat ik Levi-Strauss nu eens volstrekt au serieux nemen. Laat ik nu eens heel precies nagaan hoe hij zijn termen hanteert, zijn betoog opbouwt, zijn bronnen gebruikt. De uitkomst was ontluisterend, van zijn analyses bleef weinig heel. Maar het heeft haar jaren studie gekost om die conclusie te kunnen trekken. Ik kan erover meepraten omdat ik ooit met twee medestanders een Levi-Straussiaanse stelling op die manier bekeken heb: dat heeft geresulteerd in een artikeltje van acht pagina's, maar daar zat wel maanden werk in.

Bij de bewonderaars van de meester valt kritiek slecht. Korns boek is indertijd in de American Anthropologist besproken door iemand die zich voornamelijk geshockeerd betoonde en het haastig afdeed door te zeggen dat de schrijfster 'positivistische veronderstellingen' koestert; van een echte behandeling en eventueel weerlegging van haar standpunt was geen sprake. Ook niet in een later stukje toen dezelfde criticus, gedwongen door een protestbrief, nog eens op een en ander terugkwam.

Daarin spreekt hij, alweer in zeer algemene termen, over mensen die het vermogen missen dieptestructuren te zien, empiricisten, aanhangers van 19e-eeuwse paradigma's en soortgelijk slecht volk. Kritiek op Levi-Strauss vond hij kennelijk niet comme il faut.

Het is aardig tegenover Levi-Strauss iemand als Karel van het Reve te plaatsen (bien etonnes de se trouver ensemble). Deze geeft voor zijn gedachten zomaar rechttoe-rechtaan op te schrijven, en roept steeds dat hij maar een gewone jongen uit Betondorp is. Dat is natuurlijk ook een pose en een vorm van retorisch vertoon, maar een die mij dan wel liever is. Bij hem hoeft tenminste niemand te raden naar wat hij bedoelt.

Retorische trucs zijn het best waarneembaar waar auteurs kritiek op elkaar uitoefenen - we zagen er zojuist al een staaltje van - of in een polemiek met elkaar verwikkeld raken. Een en al retoriek is de wijze waarop de ene psycholoog, Piet Vroon, het boek van de andere psycholoog, Rene Diekstra, bespreekt. Dat gaat als volgt: 'Ik schijn een bijnaam te hebben. Snelle Pietje. ... Een collega in Leiden heeft ook een bijnaam. Rene Liegstra. Van zijn hand verscheen een bestseller in de vorm van een boekje Als leven pijn doet. Omdat de schrijver tot driemaal toe beloofde een exemplaar te zullen sturen, heb ik het zelf aangeschaft.' Hoe komt Diekstra aan zijn ideeen? 'Hij is met name geinspireerd door Albert Ellis, een inmiddels bejaarde, intrigerende chaoot in New York.'

'Waarom', vraagt Vroon zich af, 'is deze publikatie in puur goud veranderd?' Dat komt, er is zoveel ellende tegenwoordig in de samenleving dat de mensen behoefte hebben aan geruststellende schijnoplossingen. Die verschaft Diekstra's boek.

Merk op dat Vroon het boek bekwaam de grond in stampt zonder eigenlijk iets over de inhoud te vertellen.

Nu betreft het hier de ene populaire columnist die het heeft over de andere. Zo bezien is het niet eens retoriek in de wetenschap (al zijn beide heren hoogleraar). Interessanter is daarom de analyse die Jeanine Czubaroff (1989) gemaakt heeft van een kwestie tussen de linguist Chomsky en de psycholoog Skinner. De laatste publiceerde in 1957 het boek Verbal Behavior. Twee jaar later reageerde Chomsky met een bespreking die maar liefst 32 pagina's telde. Er stond, moet gezegd, ook veel op het spel: Skinner, een man met groot gezag in de wetenschappelijke wereld, bepleitte een totaal andere aanpak van het taal-onderzoek dan de gangbare en kwam daarmee regelrecht op Chomsky's jachtgebied.

Chomsky handelt in zijn kritiek als de advocaat voor de rechtbank die ten koste van alles zijn gelijk wil halen. Hij betoont zich agressief en dogmatisch; voor zover hij Skinners ideeen bespreekt, doet hij dat om erop af te geven. Skinner heeft niet alleen ongelijk, hij heeft 'volledig ongelijk, zoals iedereen die even nadenkt, zal inzien'; zijn ideeen zijn niet alleen onbruikbaar, ze zijn 'totaal onbruikbaar', hij vergist zich niet, hij 'zit er volkomen naast'. Skinners competentie als onderzoeker en zijn persoonlijke integriteit worden in twijfel getrokken.

Iemand kan zijn tegenstander met de rapier te lijf gaan of met de kolenschop, figuurlijk dan. Je zou denken dat er in de wetenschap weinig waardering bestond voor de tweede handelwijze, maar zo werkt het kennelijk toch niet. Chomsky's kritiek maakte grote indruk.

Daarbij kwam dat Skinner de beledigde majesteit speelde en weigerde te reageren. 'This was not a wise rhetorical choice', zegt Czubaroff, het werd uitgelegd als een teken van verwarring en fatale zwakte. Pas ruim tien jaar later kwam er een weerwoord van een van Skinners medestanders, maar toen was het te laat.

Dat Chomsky zo heftig reageerde wordt hier verklaard uit territoriumdrift. Het kan ook iets te maken hebben met zijn persoonlijkheid; hij heeft zich immers vaker met veel verbaal geweld op tegenstanders gestort. Dat alles wil nog niet zeggen dat hij zakelijk ongelijk had. We doen er goed aan een scheiding aan te brengen tussen de persoon van de onderzoeker, met al zijn hebbelijkheden en onhebbelijkheden, en de zakelijke inhoud van zijn boodschap.

Het zal duidelijk zijn dat ik wel wat zie in het moderne retoriek-onderzoek. Jammer daarom dat de bedrijvers ervan, althans sommige, hun hand zo overspelen. Voor hen is retoriek 'a God's term'

geworden: zij zien in wetenschappelijke uitspraken een vorm van retoriek en niet meer dan dat. Er zou geen objectieve werkelijkheid bestaan, er zouden slechts verhalen zijn over wat mensen dan de werkelijkheid noemen, en diegeen wordt geloofd die het meest indringende verhaal te vertellen heeft.

Is dat zo dan maakt Kafka met 'Die Verwandlung' een goede kans, waarvan eenieder zich de aanhef zal herinneren: ''Toen Gregor Samsa die morgen uit onrustige dromen ontwaakte, ontdekte hij dat hij in een monsterachtige insect veranderd was. Hij lag op zijn hardgepantserde rug en zag, als hij zijn hoofd enigszins oprichtte, zijn gewelfde bruine, door boogvormige geledingen verdeelde buik.''

Maar serieus. Zij die zo redeneren doen dat op grond van de volgende overweging. In de wetenschap blijkt men het nooit fundamenteel eens te kunnen worden over de aard van de werkelijkheid. Dat zal dan wel komen omdat er niet zoiets als een objectieve werkelijkheid is.

Ach, het is geen originele gedachte. Allen die zo denken hebben Gorgias als hun geestelijke voorvader. Ik ben ook bepaald niet de eerste die erop wijst dat iemand, door zo'n uitspraak te doen, in een logische knoop verward raakt.

Maar wat maak ik me druk? Over dit soort filosofische bespiegelingen worden we het toch nooit eens, en bovendien, voor de praktijk van het leven en de wetenschap maakt het niet zoveel uit. Toch is er een gevaar. Mensen kunnen redeneren: als er dan geen objectieve werkelijkheid is, kan ik net zo goed 'het verhaal' vertellen dat mij politiek het beste uitkomt. Of ik kan, net als die Griekse retor, 'het kleine groot en het grote klein' voorstellen. In moderner termen: ik kan het onwelkome feit in een voetnoot wegstoppen, het welkome feit cursief in de tekst zetten.

Dat zou te betreuren zijn, want hoe je het ook wendt of keert, uiteindelijk gaat het in de wetenschap om de waarheid. Preciezer: om datgene wat naar iemands beste inzicht van dit moment de waarheid is.

Ook al klinkt die niet aangenaam of is die niet opportuun. Als men mij om deze uitspraak een 'onbekommerd positivisme' toeschrijft, accepteer ik dat gelaten.

Concurrent Mevra verkocht de afgelopen jaren 'enige honderden' CPAP-apparaten.