De Andes twijfelt bij drugsoorlog

LIMA, 4 april - Met de aanstaande komst naar Bolivia van de eerste 56 van in totaal 112 Amerikaanse militaire adviseurs heeft de strijd tegen de produktie van coca en de daarvan afgeleide drug cocaine in de Andeslanden een nieuwe wending gekregen.

Vorige week gaf de Boliviaanse president, Jaime Paz Zamora, na lang aarzelen zijn goedkeuring aan 'de militarisering' van de drugsoorlog.

Washington betaalt de Bolivianen hiervoor een bedrag van 33,2 miljoen dollar (60 miljoen gulden). Bolivia - dat in 1985 al de inzet van VS-helikopters beleefde - is daarmee als eerste van de drie Andeslanden door de knieen gegaan voor Amerikaanse druk om het leger te gebruiken in de strijd tegen de narcos. Tot nu toe was drugsbestrijding in de Andeslanden een zuivere politietaak.

Toch ziet het er naar uit dat het Boliviaanse voorbeeld voorlopig niet zal worden gevolgd door de twee andere Andeslanden Colombia en Peru.

In Colombia werd het leger in augustus 1989 op grote schaal ingezet in een door de toenmalige president Virgilio Barco verklaarde 'totale oorlog' tegen de drugskartels in het land. Na aanvankelijke successen van het leger en de uitlevering aan de Verenigde Staten van een aantal drugshandelaren van het tweede echelon, keerde het tij snel. De sterke arm van het Medellin-kartel, de Extraditables, ontketende een meedogenloze terreuroorlog tegen de Colombiaanse samenleving.

Barco's opvolger, president Cesar Gaviria, probeert het nu langs een andere weg. Hij heeft de drugshandelaren toegezegd dat zij niet zullen worden uitgeleverd aan de Verenigde Staten als zij zich overgeven aan de Colombiaanse justitie. Drie kopstukken van het Medellin-drugskartel, de gebroeders Ochoa, hebben dat inmiddels gedaan. En in de Paasweek gonsde het in Colombia van de geruchten dat de beruchte Pablo Escobar, hoofd van het Medellin-kartel, hun voorbeeld zou volgen. Het leger beperkt zich intussen tot de strijd tegen de guerrilla, waar het de handen al aan vol heeft.

Ook in Peru - de belangrijkste producent van coca ter wereld - is het nog lang niet zover dat het leger zal worden ingezet tegen de drugshandelaren. De Peruaanse president Alberto Fujimori weigerde vorig jaar een bedrag van 36 miljoen dollar aan Amerikaanse militaire hulp voor de drugsbestrijding. Het Peruaanse leger, dat op vele fronten in het Andesgebergte en in de jungle een verloren strijd voert tegen de guerrillagroepen Sendero Luminoso ('Lichtend Pad') en MRTA, voelt er niets voor om de coca-producerende boeren tegen zich in het harnas te jagen. De hulp van deze zogeheten campesinos is immers hard nodig om de snel voortschrijdende infiltratie van de guerrilleros tegen te gaan.

Maar ook Fujimori staat onder zware Amerikaanse druk. De VS staan op het punt om hun volle gewicht in de schaal te leggen bij de vorming van een steungroep van landen die een voor Peru broodnodig overbruggingskrediet van 800 miljoen dollar bijeen moet brengen.

Peruaanse concessies op het drugsfront zouden dit proces bespoedigen. De Peruaanse president, of liever gezegd diens adviseur Hernando de Soto die in de Peruaanse pers al de 'onderkoning' wordt genoemd, legt bij de drugsbestrijding echter het accent op substitutie in plaats van uitroeiing zoals de Amerikanen willen. Door gunstige voorwaarden voor de cocaboeren te scheppen, hoopt de Peruaanse regering de campesinos in de Alto Huallaga-vallei te bewegen over te stappen op de teelt van andere gewassen dan coca. Maar om dit beleid te kunnen realiseren, heeft de straatarme Peruaanse regering juist het geld nodig dat slechts op voorspraak van Washington kan vrijkomen.

Ook de cocaboeren zelf zien begrijpelijkerwijs meer in de gesubsidieerde overstap naar andere gewassen dan in de komst van legereenheden naar de cocavelden.

Maar uit de cijfers blijkt dat de chemische omzetting van coca in cocaine in toenemende mate ook in Bolivia en Peru plaatsheeft. Na de drugsoorlog in Colombia hebben de cocainebazen grote delen van hun produktie verplaatst naar de omliggende landen. De cijfers wijzen ook uit, dat de produktie stijgende is en dat de afzet steeds meer verschuift van de verzadigde Amerikaanse markt naar de Europese en Aziatische, waar de prijzen twee- tot driemaal zo hoog liggen.