CPB: minder groei, meer inflatie en meer werkloosheid

DEN HAAG, 4 APRIL. De groei van de Nederlandse economie valt terug van ruim 4 procent in 1990 naar een procent volgend jaar; daarna stijgt de groei tot 2,5 procent in 1993-1994. Dit voorspelt het Centraal Planbureau (CPB) in het 'Economisch Beeld 1992', waarin een prognose is opgenomen tot en met 1994.

Bij de prognoses gaat het CPB uit van een groei van de wereldhandel van meer dan 6 procent na 1992. De dollarkoers is gezet op 1,65 gulden in 1991 en loopt op tot 1,75 gulden in 1994. “Maar als we vandaag opnieuw met de berekiningen zouden we beginnen, zouden we een hogere dollarkoers hanteren dan 1,65 gulden”, zei Planbureau-directeur Zalm vanmorgen in een toelichting. De koers van de dollar schommelt nu rond de 1,90 gulden.

Het Planbureau heeft een dollarvariant uitgerekend, waarbij de koers van de dollar stijgt van 1,80 gulden dit jaar tot 2,00 gulden in 1994.

Voor export, produktie en werkgelegenheid zijn de gevolgen van een hoger dollar gunstig. Daar staat tegenover dat de inflatie stijgt tot ruim 4 procent in 1992 oplopend tot 4,5 procent in 1994.

In de zogenoemde basisprojectie stijgt de inflatie volgend jaar tot 3 procent, 0,5 procent meer dan dit jaar. Door onder meer stijgende invoerprijzen, loonkostenstijging en extra huurverhoging zal de inflatie gelijdelijk stijgen tot ruim 4 procent in 1994. “Van de internationale visitekaartjes lijkt de lage inflatie tot het verleden te gaan behoren”, zei Zalm, “en blijft het nationale spaaroverschot over, hoewel dat veel heeft te maken met gebrek aan dynamiek van de Nederlandse economie.”

Wat betreft het overschot op de lopende rekening behoudt Nederland dus zijn uitzonderingspositie. Het saldo op de lopende rekening is synoniem aan het spaaroverschot: de nationale besparingen zijn hoger dan de binnenlandse investeringen en het verschil wordt in het buitenland geinvesteerd.

Vorig jaar bedroeg het overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans 19 miljard gulden en volgens het CPB zal het stijgen tot 26 miljard gulden in 1994, hetgeen overeenkomt met 4,5 procent van het nationaal inkomen. Een groot overschot duidt op veel besparingen of weinig investeringen, of op een combinatie van beide. Het overschot wordt in Nederland veroorzaakt door de hoge besparingen. Volgens het CPB liggen de bedrijfsinvesteringen op het Europese gemiddelde, terwijl de overheidsinvesteringen in Nederland iets lager liggen.

Volgens het CPB zijn er “niettemin goede redenen om een hoger investeringsniveau” in Nederland na te streven. Het Planbureau verwijst naar de structurele werkloosheid, de lage participatiegraad van vrouwen, en het grote aantal arbeidsongeschikten en zieken in vergelijken met het buitenland.

Een direct gevolg van de tegenvallende economische groei en de stijgende reele arbeidskosten is de groei van de werkgelegenheid.

Vorig jaar steeg het aantal personen met een betaalde baan met 160.000, een naoorlogs record. Voor dit jaar verwacht het CPB een vertraging van de groei tot 70.000 personen en voor volgend jaar 40.000 personen. In de periode 1993-1994 stijgt de werkgelegenheid met gemiddeld bijna 60.000 personen. Als gevolg van het toenemende arbeidsaanbod komt de geregistreerde werkloosheid dit jaar op 345.000 personen. Voor volgend jaar verwacht het CPB een stijging met 10.000 mensen, waarna in 1993 een stabilisering wordt voorspeld bij 335.000 personen.

Volgens de CPB-prognoses zal het financieringstekort van het rijk, ondanks de maatregelen van Tussenbalans die het kabinet medio februari presenteerde, stijgen van 4,9 procent dit jaar tot 5,3 procent van het nationaal inkomen in 1992. Volgens het regeerakkoord moet het tekort voor volgend jaar 4,25 procent bedragen; een verschil van ruim 5 miljard gulden. Voor 1994 voorspelt het Planbureau een tekort van 3,8 procent. Om de doelwaarde van 3,25 procent te realiseren moet er volgens het Planbureau voor een bedrag van 2,5 a 3 miljard gulden extra worden omgebogen.

De som van de belasting- en premiedruk als percentage van het nationaal inkomen, de collectieve lastendruk, is dit jaar volgens het Planbureau 53,2 procent en loopt op tot 53,8 procent volgend jaar.

Voor 1994 verwacht het Planbureau een lastendruk van 53,5 procent in 1994. Een fractie onder de doelstelling van het regeerakkoord.

Tenminste als men uitgaat van het tekort zoals dat gold bij de opstelling van het regeerakkoord. Hanteert men het gerealiseerde niveau in 1989, dan mag de lastendruk niet meer dan 52,4 procent bedragen. De PvdA-fractie in de Tweede Kamer opteert voor de eerste interpretatie, de CDA-fractie voor de tweede. De prognoses van het Planbureau duiden erop dat verder lastenverzwaring zoals de PvdA die voorstelde tijdens het debat over de Tussenbalans in de Tweede Kamer, niet meer mogelijk zijn.