Chinezen konden al in 1835 boren tot 1000 meter diepte

Niet alleen het papier, het buskruit en het kompas zijn in China uitgevonden, maar ook de techniek van het diepte-boren. Al in de 11e eeuw werd in de Chinese provincie Sichuan tot op 200 meter diepte geboord om zouthoudend bronwater te winnen. Een dergelijke prestatie werd in Europa pas in de negentiende eeuw geleverd. De Chinezen waren ook de eersten die de magische grens van 1000 meter overschreden. Dat was in 1835, eveneens in de provincie Sichuan.

Dit alles blijkt uit het speurwerk van de Duitse bamboespecialist dr.

Hans Ulrich Vogel van het Sinologisch Seminarie van de Universiteit van Heidelberg. Hij baseert zich hierbij op nog niet eerder ontsloten Chinese documenten en afbeeldingen.

Lange tijd zijn Chinakenners er, mede op grond van een beroemd baksteenrelief uit de oostelijke Han-dynastie (25 tot 220 na Christus) ten onrechte van uitgegaan dat toen in het oude China al gebruik werd gemaakt van diepte-boringen, dat wil zeggen boorgaten met een kleine doorsnede. Vogel toont echter aan dat men tijdens de Handynastie met brede zoutschachten werkte. Pas in de elfde eeuw, zo valt te zien op een tekening van de befaamde schriftgeleerde Su Shi, werden de eerste diepteboringen uitgevoerd. Su Shi vermeldt ook technische bijzonderheden over de gebruikte techniek. Zo had het boorgat ongeveer de doorsnee van een kopje, er werd geboord met een zogenaamde snijtapkop, als boorschacht dienden in elkaar geschoven dikke bamboestengels waarvan de tussenschotjes verwijderd waren.

De Chinezen werkten met aandrijfstangen van bamboe, waaraan een smeedijzeren boorkop hing, tot honderd kilo zwaar, die als een klopboor steeds door de boorschacht op en neer gingen. Groot voordeel van bamboe zijn de goede mechanische eigenschappen: een bamboe aandrijfstang is even sterk en even zwaar te belasten als de in Europa gangbare ijzeren stangen, bovendien is bamboe flexibel en het is bij lange na zo zwaar niet als ijzer. Voor de Europese ijzeren aandrijfstangen gold als groot nadeel dat zij steeds zwaarder werden naarmate men dieper wilde boren. Bovendien ontbrak een mechanisme om de kracht van de klappen op te vangen en het herhaaldelijk breken van de stangen was dan ook een voortdurende bron van frustratie. Pas de uitvinding van de zogenaamde wisselschaar, met flexibele verbinding tussen aandrijfstang en beitel (rond 1830 ongeveer tegelijkertijd uitgevonden in Amerika en in Duitsland) bracht voor de westerse diepteboorkunst een nieuwe doorbraak. Diezelfde wisselschaar blijkt volgens dr. Vogel in de Chinese provincie Sichuan al sinds de 17e eeuw in gebruik te zijn geweest, alleen was het daar een minder spectaculaire verbetering dan in Europa.

(Deutscher Forschungsdienst, maart 1991).