Volkerenmoord is besmette, juridisch omstreden term; VN niet bij machte in te grijpen ten gunste van Koerden

GENEVE, 3 april - “De VS en hun bondgenoten nodigen door hun stilzwijgen Saddam Hussein uit tot genocide op de bevolking van Iraaks Koerdistan.” Met deze woorden doen de Koerden een beroep op de Verenigde Naties om tussenbeide te komen. Zij zijn zich, volgens ingewijden, blijkbaar niet bewust van de internationaal juridische implicaties van deze zwaarbeladen beschuldiging.

Genocide, ofwel volkerenmoord, is een besmette term, internationaal juridisch nogal omstreden. Het gebruik ervan compliceert internationale actie. Dat is de gevolgtrekking van deskundigen in mensenrechtenkringen in Geneve. Zij concluderen dat de Verenigde Naties niet in staat zijn om deze uitwas effectief te bestrijden.

De toepassing van juridische middelen die de VN ter beschikking staan om volkerenmoord op de Koerden tot staan te brengen schiet in de praktijk hopeloos tekort. Bijvoorbeeld: voor effectief onderzoek ter plekke naar beschuldigingen van genocide is toestemming vereist van de aangeklaagde partij, in dit geval het regime van Saddam Hussein.

VN-diplomaten illustreren de onmacht van de volkerenorganisatie met voorbeelden uit het recente verleden. Mislukte pogingen om de slachting tegen te gaan van de Hutu's door de Tutsi's in Burundi, de moord op Bengali's in het voormalige Oost-Pakistan en de massale executies in Cambodja en in Oeganda in de jaren zeventig en tachtig stemmen weinig hoopvol. In de praktijk wordt de term genocide vermeden en wordt gesproken van flagrante, omvangrijke of systematische schendingen van de rechten van de mens.

Er bestaat in mensenrechtenkringen grote terughoudendheid om het woord genocide te bezigen. Genocide is moeilijk onweerlegbaar te bewijzen en de aantijging blokkeert bij voorbaat elke dialoog met de beschuldigde partij. Een internationaal onderzoek naar genocide is in het verleden nooit door een betrokken regering toegestaan.

Vervanging van de terminologie maakt de beschuldiging hanteerbaarder. Voor schendingen van de rechten van de mens bestaan namelijk in de praktijk wel toepasbare juridische instrumenten. De commissie voor de rechten van de mens kan de speciale rapporteur voor Irak opdragen een onderzoek in te stellen. Weigert Bagdad een onderzoek ter plekke, dan kan worden volstaan met het weergeven van inlichtingen van humanitaire organisaties zoals Amnesty International. Een andere mogelijkheid: het VN-comite dat de internationale verdragen toetst aan de praktijk kan Irak in de beklaagdenbank zetten. Het nadeel hiervan is: beide procedures vergen veel tijd. Genocide dwingt juist tot onmiddellijke actie en daartoe is uitsluitend de Veiligheidsraad het aangewezen orgaan.

Om genocide te bestrijden hebben de VN-lidstaten na de Tweede Wereldoorlog een speciaal verdrag opgesteld. Maar dit VN-verdrag is, met al zijn voorbehouden door verdragstaten, zo lek als een mandje.

Het verdrag van 1948 formuleert genocide als opzettelijke vernietiging, volledig of ten dele, van een nationale, etnische of religieuze groep. Het verdrag is door meer dan 100 VN-lidstaten geratificeerd, waaronder Irak (in 1959). Tientallen verdragstaten hebben een voorbehoud gemaakt. Tot die staten behoren de VS - het land waarop de Koerden nu een beroep doen om in Irak tussenbeide te komen.

Pikant hierbij is dat Nederland het Amerikaanse voorbehoud op het genocideverdrag niet erkent.

Eind 1988 tekende Nederland bezwaar aan tegen de Amerikaanse ratificatie van november dat jaar. Wegens het door Washington gemaakte voorbehoud beschouwt Den Haag de VS niet als partij bij dit verdrag.

De Amerikanen beschouwen uitspraken van het Internationale Gerechtshof in Den Haag niet als bindend. Alleen als ze zelf eerst toestemming hebben gegeven voor behandeling van eventuele klachten door het internationale hof zijn de VS bereid een uitspraak te eerbiedigen.

Bovendien laten de Amerikanen hun eigen grondwet prevaleren boven internationale wetgeving. Nederland maakt die voorbehouden niet. Ook Duitsland, Finland, Ierland, Italie, Noorwegen, Spanje, Zweden en Groot-Brittannie hebben tegen de Amerikaanse ratificatie bezwaar aangetekend.

Mensenrechtendeskundigen vrezen dat de Koerden aankloppen bij het verkeerde adres. Zij hebben van de VS of van de VN weinig te verwachten. Dat is eerder gebleken in 1988 toen bij de slachting in Halabjah de Koerdische bevolking met chemische wapens werd uitgemoord.

Naar dat bombardement is door de VN nooit een officieel onderzoek ingesteld. Wel heeft de secretaris-generaal van de VN bij Bagdad geintervenieerd, maar toestemming aan de VN om een onderzoek ter plekke in te stellen heeft Saddam Hussein nooit verleend. Een VN-team dat tienduizenden Koerdische vluchtelingen in kampen in Turkije bezocht was niet gemachtigd een medisch onderzoek in te stellen naar het gebruik van strijdgassen.

Ook wat de hulpverlening betreft zijn er geen garanties dat die hulp het Koerdische noorden van Irak bereikt. Weliswaar heeft de FAO, de Voedsel- en landbouworganisatie van de VN, 35 miljoen gulden aan hulp toegezegd “voor de meest kwetsbare groepen in Irak”. Maar VN-diplomaten betwijfelen sterk of het regime in Bagdad daaronder ook de Koerdische minderheid verstaat.

Het Internationale Comite van het Rode Kruis heeft toestemming gekregen het vluchtelingenkamp Al-Tash met 35.000 Koerden ten zuiden van Bagdad te bezoeken, maar mag geen hulpoperaties elders in het land opzetten. Ook andere, particuliere hulpverlenende instanties is de toegang ontzegd tot de gebieden waar het verzet voortduurt.

Voordat internationale hulpacties effect hebben moet eerst een internationaal bestand geregeld zijn, zeggen VN-diplomaten. Het wachten is allereerst op een resolutie van de Veiligheidsraad waarin het staakt-het-vuren wordt geregeld. Pas dan kan ook een VN-aanwezigheid in Irak zelf worden afgedwongen, waarbij onderzoek naar volkerenmoord tot de mogelijkheden behoort.