Trojaanse schatten klinisch getoond

ESSEN, 3 april - De tentoonstelling Schliemanns Troia, die tot eind mei te zien is in het Duitse Essen, had op geen beter moment georganiseerd kunnen worden.

Dit jaar is het precies een eeuw geleden dat alle voorwerpen die de archeoloog Heinrich Schliemann had opgegraven op de plaats van het oude Troje, in bezit kwamen van het Museum voor Volkenkunde in Berlijn. En alsof de publiciteitsafdeling van het Essense Ruhrlandmuseum het geregisseerd had, kwam drie dagen na de opening van Schliemanns Troia het bericht dat de beroemdste vondst uit Troje, de zogenaamde 'Schat van Priamus', niet zoals men vreesde bij bombardementen in de Tweede Wereldoorlog was vernietigd, maar in 1945 was meegenomen door het Rode Leger. De gouden, zilveren en bronzen voorwerpen zouden volgens het aprilnummer van het Amerikaanse tijdschrift ARTnews samen met andere kunstschatten opgeslagen liggen in een van de geheime depots in Rusland die binnenkort wellicht geinventariseerd worden door een speciale commissie van het Ministerie van Cultuur van de Sovjet-Unie.

Conservator Klaus Goldmann van het Berlijnse Museum voor pre- en protohistorie, zoals het nu heet, sprak in deze krant in november 1990 al het vermoeden uit dat het vroegere pronkstuk van zijn museum in handen was van een openbare instantie - hoewel hij niet kon zeggen of die in Duitsland, Amerika of de Sovjet-Unie gezocht moest worden. Toen Goldmann begin vorige week hoorde van het ARTnews-artikel reisde hij - op een vliegticket van de vereniging Missing Art of Europe - onmiddellijk af naar Moskou om er achter te komen “hoe serieus de informatie genomen moest worden.”

Terug uit Rusland waarschuwt hij voor te veel optimisme. “Ik heb gepraat met de twee auteurs van het artikel, en zij kunnen heel aannemelijk maken dat de zogenaamde Schat van Priamus naar Rusland is getransporteerd. Maar ik heb in Moskou verder geen enkel document gezien waaruit dat blijkt. We zullen geduld moeten hebben. Dit is geen kwestie die opgelost kan worden door spoorzoekers of museumdirecteuren. Het is de politiek die nu moet handelen.”

“Met deze tentoonstelling hebben wij Schliemanns laatste wens vervuld,” zegt directeur U. Borsdorf, die Schliemanns Troia samen met de Essense hoogleraar oude geschiedenis Justus Cobet voorbereidde.

“In zijn testament had hij bepaald dat de vondsten uit Troje gezamenlijk aan het Duitse volk getoond moesten worden; ze waren een geschenk 'zu ewigem Besitz und ungetrennter Aufbewahrung'. Ironisch genoeg kwam de collectie na de oorlog aan weerszijden van de Muur terecht, een ongerechtigheid die nu pas hersteld wordt. Alleen de originele Schat van Priamus ontbreekt. Gelukkig hebben we de belangrijkste stukken daaruit wel opgenomen in onze tentoonstelling.

Mocht de Schat dus binnenkort opduiken, dan hoeven we alleen maar de replica's te vervangen door het echte spul...''

Omdat de ontdekking van het mythische Troje niet los gezien kan worden van leven en werk van Heinrich Schliemann (1822-1890), besteedt Schliemanns Troia aandacht aan beide. Het eerste dat de bezoeker dan ook opvalt wanneer hij de zwakverlichte tentoonstellingszaal binnenkomt, is een vitrine met het exemplaar van de Weltgeschichte fur Kinder dat Heinrich op zevenjarige leeftijd als kerstcadeau kreeg.

Daarmee was het volgens Schliemann allemaal begonnen. Zijn vader gaf tekst en uitleg bij een gravure over de brand van Troje en de jonge Heinrich weigerde aan te nemen dat het allemaal maar een mythe was.

Als we Schliemann mogen geloven, had hij vanaf dat moment maar 'e'en doel voor ogen: Troje vinden en bewijzen dat Homerus' verdichting van de oorlog tussen Grieken en Trojanen op ware feiten berustte.

Het probleem met Schliemann is dat we hem niet altijd mogen geloven. De oorsprong van zijn zoektocht naar Troje is een van de vele sterke verhalen die hij met het oog op zijn imago de wereld in stuurde. Al tijdens zijn leven werd duidelijk dat zijn fantasie geen grenzen kende: in tegenstelling tot wat hij zelf beweerde had hij zijn dissertatie niet in het Grieks geschreven, was hij geen ooggetuige geweest van de grote brand van San Francisco, had hij de Amerikaanse presidenten Fillmore en Johnson nooit persoonlijk ontmoet, en kwam hij pas aan het eind van de jaren zestig op het idee om zich te mengen in het eeuwige debat over de precieze ligging van het Troje van koning Priamus. Een eeuw na zijn dood twijfelen sommige wetenschapppers zelfs aan zijn integriteit als archeoloog: Schliemann zou hebben geknoeid met opgravingsverslagen, hij zou vondsten hebben vervalst en vindplaatsen hebben verzonnen. In de ogen van zijn grootste critici is Schliemann een pathologische leugenaar; Justus Cobet, die het inleidende artikel in de tentoonstellingscatalogus schreef, is wat vriendelijker: voor hem is Heinrich Schliemann een negentiende-eeuws archetype,een burgerlijk avonturier die net als Ibsens tragische held Peer Gynt getekend wordt door 'zijn onvermogen om waarheid en onwaarheid te scheiden'.

Schliemann was een kind van de Romantiek en kleedde zijn autobiografische geschriften zo romantisch mogelijk aan. Niet dat dat nodig was. Zijn leven had alles wat Jules Verne, Horatio Alger of Alexandre Dumas zich maar konden wensen. Hij was de kruideniersjongen die voor zijn dertigste multimiljonair werd; hij verdiende zijn geld met wapenverkopen in de Krimoorlog en bankierszaken tijdens de Californische Goldrush. Hij had geen school afgemaakt, maar sprak meer dan twintig talen vloeiend en kreeg aan het eind van zijn leven een eredoctoraat aan de universiteit van Oxford. Maar het spectaculairst waren de ontdekkingen die hij als archeoloog deed: de prehistorische Griekse koningsgraven in Mycene, waar hij naar eigen zeggen het 'dodenmasker van Agamemnon vond, en vooral de resten van Troje op de Hissarlik-heuvel aan de Turkse oostkust.

Schliemann vond Troje - maar niet zoals hij zelf verklaarde met de Ilias van Homerus in zijn hand. De plaats waar hij groef was hem aangewezen door de Amerikaanse consul in de Dardanellen. Schliemann vond een oude stad - maar niet zoals hij zelf meende het Troje van Homerus. Bij zijn opgravingen in de periode 1871-1873 stuitte hij op vier verschillende prehistorische lagen, waarvan hij de tweede van onderen bestempelde als de stad van Priamus. De oppervlakte en de de muren waren kleiner dan hij verwacht had, en bewijzen om zijn vondsten te dateren had hij niet, maar toen hij aan het eind van zijn derde seizoen grote hoeveelheden goud en zilver vond, wist hj het zeker: dit was de Schat van Priamus en hier lagen de Juwelen van Helena, in allerijl onder de grond gestopt toen de Grieken dankzij het houten paard de stad hadden ingenomen.

Schliemanns spannende verslag van zijn grootste vondst (“de grote verdedigingsmuur waaronder ik moest graven, dreigde elk moment boven mij in elkaar te storten; maar de aanblik van zoveel voorwerpen, die ieder op zichzelf van onmetelijk belang voor de archeologie waren, maakte dat ik doldriest doorging en geen gevaar zag”) ligt in Essen niet uitgestald. Misschien omdat zijn verhaal in discrediet is geraakt. Het eindigt namelijk met een typisch staaltje Schliemanneske romantiek: om de werklieden op de vindplaats niet in verleiding te brengen, zou Schliemanns “geliefde echtgenote” de kostbaarheden in haar sjaal hebben weggedragen. Sophia Schliemann, die later klassiek gefotografeerd zou worden met de 'juwelen van Helena', was op het moment van de vondst in Athene, en kon dus haar man niet geholpen hebben. Bovendien bleek later dat de schat niet in een keer gevonden was, maar op verschillende dagen.

De onzorgvuldigheden en regelrechte leugens in Schliemanns Trojaanse 'dagboeken' hebben sommige moderne archeologen er toe gebracht om de autenticiteit van de Schat van Priamus maar helemaal te ontkennen. De vondst zou zijn samengesteld uit materiaal dat Schliemann gedurende een periode van jaren had opgegraven, of erger nog: uit voorwerpen die op de zwarte markt in Turkije waren aangekocht. Hoewel Schliemann nooit de reputatie van een conscientieus archeoloog heeft gehad ('hij groef alsof hij aardappels rooide' schreef een collega ooit over hem), gelooft men toch dat zijn schat origineel is. Alleen heeft men dat nooit met de modernste technieken kunnen controleren. Als de kostbaarheden ooit uit hun depot komen, is dat dan ook het eerste dat er mee moet gebeuren.

De schat mocht dan echt zijn, van Priamus of zijn schoondochter Helena was hij zeker niet. Als de legendarische koning ooit geleefd heeft, en als hij ooit zetelde op de Hissarlik, dan was dat in de dertiende eeuw v. Chr. - en het Troje dat Schliemann opgroef was minstens duizend jaar ouder. Schliemann wilde niets liever dan het gelijk van Homerus bewijzen, maar nadat hij nog drie keer nieuwe opgravingen op de Hissarlik had geleid, moest hij definitief inzien dat zijn Troje, het rijke Troje II, onmogelijk de stad uit de Griekse mythen kon zijn.

Triester was dat hij tijdens zijn nietsontziend graven naar Troje II belangrijke delen had verwoest van Troje VI, dat rond 1300 v. Chr.

bleek te zijn afgebrand, en dat volgens zijn collega en opvolger Wilhelm Dorpfeld eerder in aanmerking kwam om door de Grieken te zijn verwoest dan welke andere laag ook.

“Mijn opgravingen hebben het Ilios (Troje) van Homerus tot zijn ware afmetingen teruggebracht”, schreef Schliemann vertwijfeld aan het eind van zijn leven. De tentoonstelling in Essen brengt op haar beurt het minstens zo legendarische Troje van Schliemann tot de ware afmetingen terug. Zeker, de getoonde kunstwerken zijn indrukwekken: er zijn eenvoudige aardewerken bekers, minutieus bewerkte sieraden, en grappige dierfiguurtjes. Alles is keurig gerestaureerd en gedateerd.

Van elk voorwerp wordt precies vermeld uit welk van de negen (!) lagen van Troje het afkomstig is. Maar toch. In de voorbeeldige vitrines krijgt het allemaal iets klinisch. Met het spektakel van Schliemanns opgravingen of de fantasiewereld van de Homerische epen heeft het niets meer te maken. Zelfs het uit 60.000 stukjes goud bestaande diadeem uit de Schat van Priamus, dat op basis van foto's prachtig werd gereconstrueerd, is op het platte vlak lang niet zo imposant als op het hoofd van Sophia Schliemann.

Misschien had er gewoon een vitrine moeten zijn waarin een deel van het materiaal was neergelegd zoals Schliemann het heeft aangetroffen: in scherven, door elkaar heen, met tussen gruis en grut glinstrerende stukjes edelmetaal. Nu is het de Schat van Priamus die verreweg het interessantst is - ook al zijn bijna alle gouden juwelen, schalen en bekers door een edelsmid uit Erfurt nagemaakt. De rijkdommen van Troje II spreken tot de verbeelding; ze vertellen een verhaal.

Schliemanns Troia'. Tot 20 mei in het Ruhrlandmuseum van Essen, Goethestrasse 41. Di-zo 10-18u, do 10-21u. Catalogus 32,- DM.

    • Pieter Steinz