Schrijfmachinemonteur betreurt uitsterven van beroep; De Underwood-specialist

Hij heeft een ranke gestalte, een snor en grijs krullend haar, dat hem artistiek in de nek valt. Arie Hennink van de Oostzeedijk in Rotterdam is 62 jaar en drijft sinds 1953 een eenmanszaak onder de naam Reka, afkorting van Revisie Kantoormachines en dan in het bijzonder schrijfmachines. De vertegenwoordiger van een uitstervend ras, die weldra de weg van hoefsmid, ketellapper en mandenmaker gaat. Wat stelt het vak van schrijfmachinemonteur nog voor in de computertijd?

Hennink: “Niet veel helaas, niet veel. Ja, Reka bestaat nog, al is het oude vuur eruit. Vroeger kwamen ze aan de lopende band met hun spullen, nu heb ik nog een paar klantjes hier achter in Kralingen, meest mannen met een pet, een vrijetijdspet wel te verstaan, oudere welgestelde heren dus, die nog een vooroorlogs machientje bezitten en me weten te vinden als de letters vastzitten of als de wagen niet meer loopt. Laatst kwam er een met een koffergrammofoon, zo'n opwindgeval, dat heb ik ook gemaakt. En dan een handvol studenten van de Erasmus, want die zitten hier veel in de buurt. Och, wat reken je dan. Er staat, geloof ik, achtenzestig gulden per uur voor, dus je vraagt een paar tientjes.”

PAPLEPEL

Het ambacht is Hennink met de paplepel ingegoten. Zijn vader deed ook in schrijfmachines en het gevolg was dat Arie al op zijn zevende zat te prutsen aan de Hammond, destijds een vermaard apparaat uit dezelfde fabriek als het gelijknamige orgel. “Die Hammond had iets speciaals, er zat een shuttle aan, een ronde schijf, die maakte dat je niet zelf schreef, maar de machine voor je liet schrijven. Dat was voor die tijd een bijzondere vinding en daar kon ik me als schooljochie op uitleven.

“Na het bombardement van mei 1940 heb ik in de Rotterdamse binnenstad machines uit het puin gehaald. Vaak half verbrand en roestig als een dekschuit. Meest Underwoods, die kon je compleet demonteren, elk veertje, elk schroefje ging eruit, type-armen, tussenarmen, 'levers'

en handels, misschien wel duizend onderdelen. Ja, die Underwood, dat was mijn specialiteit, vooral model 5, een prachtige machine. Ze zeiden: 'Als er een is die het kan, dan is het Arie Hennink'. Maar ik deed niet alles zelf, het frame liet ik moffelen bij de gebroeders Deege in de Wollenfoppenstraat. Ja, over de Underwood alleen al valt een artikel te schrijven.''

Vroeger ging Hennink naar de mensen toe; hij bediende in Rotterdam en omstreken zowel particulieren als kantoren, die een abonnement bij hem hadden voor periodieke controles, vier, zes of twaalf keer per jaar.

Sinds 1958 werkt hij aan huis, eerst in het Oude Noorden, later onderaan de Oostzeedijk. Hij haalde machines op of liet ze brengen, kocht ook afgedankte exemplaren, onder meer bij de Domeinen in Den Haag, om ze thuis tot nieuw leven te wekken.

“Soms had ik er tien, vijftien achterin m'n Kever, met oude gordijnen ertussen tegen het rammelen. Dat was een mooie tijd.”

Nog is hij dagelijks actief in de achterkamer, die het midden houdt tussen museum en werkplaats. Hennink wijst aan en legt uit: “Een Yost van rond de eeuwwisseling, een Thaler, een van de eerste rekenmachines, hier een Hermes, daar een stokoude Adler met toetsen van ringetjes en glaasjes. De beste machine? Ik twijfel tussen de Olivetti Lexicon en de Adler, allebei onverwoestbaar.”

Alle merken, al dan niet verdwenen, hun kenmerken, bijzonderheden en kuren staan hem scherp voor de geest. “De Woodstock met zijn vette letter, de Imperial, Smith Premier met dubbel toetsenbord, hoofdletters en onderkast, net als de Yost trouwens. Mercedes, Olympia, Ideaal en de Mignon met aanwijsstaafjes, de Remington en de Corona portable. Die werd veel door verslaggevers gebruikt, dus mensen zoals u, je zag ze er regelmatig mee in de trein zitten.

“Dan was er de Halberg portable, het enige Nederlandse merk voor zover ik weet. O nee, toch niet, je had ook de Direct van voor de oorlog, maar die was geen lang leven beschoren. Er zat een viltrol op met inkt, maar dat systeem werkte niet, het liep binnen de korste keren vast. Nee, dan de Underwood, die ging tientallen jaren mee.

Model 5, maar ook 4 en 6. De 5 had je bovendien met vierkanten en bollen, de 5 met bolle en de mastekreet met holle plaat, zo noemden we dat. Ach, het is allemaal voorbij.''

PINCETTEN

Maar de werkbank staat er nog in volle bepakking. De sleutels, schroevedraaiers en tangen, waaronder de alieertang (om letters weer in het gelid te zetten), de pincetten voor het fijne werk, kwasten breed en smal, soldeer om nieuwe typen te monteren, veertjes, haken en linten, wasbenzine, spiritus en smeerolie. Daarachter een antieke jukebox, waar de liefhebber zijn vingers bij aflikt, en vooraan een vibrafoon. Hennink: “Ik ben ook nog een half jaar beroepsmuzikant geweest, in '47, we waren met z'n vijven, de Sweet Five, en speelden in de Stella Maris. Boogy-woogy, dat was toen net in de mode.”

Het tussendoortje van een doorgewinterd schrijfmachineman, die thans zijn ambacht in rap tempo naar de vergetelheid ziet afglijden.

Misschien dat hij straks nog tussen de hoepmaker en de mandenvlechter op een braderie terecht kan. Hennink: “Ik heb een opgewekte aard, maar kan er wel eens treurig van worden. We raken begraven onder de chips en pc's ten koste van al dat moois. Laatst stond ik op mijn oude vertrouwde camping, die had de vorige keer nog drie schrijfmachines, nu staat daar ook al een computer. De nieuwe tijd, zeg dat wel.”