Kritiek op trage wetgeving over diersoorten; 'Na elf maanden staat er nog geen letter op papier'

ROTTERDAM, 3 april - “Tot mijn spijt heb ik sterke aanwijzingen dat de antwoorden niet altijd in overeenstemming zijn met de waarheid”, schreef het Tweede-Kamerlid D. Tommel op 22 februari aan de voorzitter van de vaste commissie voor landbouw en natuurbeheer, P. Blauw (VVD). De kritiek van Tommel betrof het antwoord eind vorig jaar van minister Bukman op Kamervragen over illegale handel in bedreigde diersoorten.

In zijn brief verzocht het Kamerlid om een mondeling overleg van de commissie met de minister en-of staatssecretaris van landbouw, natuurbeheer en visserij over de Wet bedreigde uitheemse diersoorten.

De onjuiste antwoorden van de minister op Kamervragen is slechts een detail van het ongenoegen binnen de directie natuurbeheer van het ministerie.

Een belangrijker, want veel meer omvattend punt van kritiek vormt “de trage ontwikkeling van de aanpassing van de Wet bedreigde uitheemse diersoorten”. De wet is een onderdeel van de nieuwe flora- en faunawet waaraan het ministerie al werkt vanaf 1982, toen natuurbeheer werd overgenomen van het toenmalige ministerie van CRM. In maart 1990 liet de Raad van State zich vernietigend uit over het wetsontwerp. Een maand later besloot de regering dat moest worden gewerkt aan “reparatie” van de wet.

“Op dit moment, elf maanden na het bewindsliedenbesluit, staat nog geen letter op papier”, aldus het hoofd van de sector faunabeheer en soortenbescherming van het ministerie, drs. M. van Genne, op 6 maart van dit jaar in een uitgelekte brief aan de directeur van natuur-, milieu- en faunabeheer. “We dreigen een modderfiguur te slaan, niet alleen ten opzichte van andere ministeries, natuurbeschermingsorganisaties en de Tweede Kamer, maar ook internationaal”, aldus Van Genne.

Zijn ergernis richtte zich op de directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken (JBZ). Deze directie zou volgens Van Genne een minimale aanpassing van de Wet bedreigde uitheemse diersoorten voorstaan. “Het is, mede gezien de toezeggingen aan de Kamer, in de eerste plaats bepaald ongewenst om een minimale aanpassing te ontwikkelen, waarmee de bestaande EG-verordening niet volledig kan worden uitgevoerd”, aldus Van Genne. “In de tweede plaats kan met een minimale aanpassing zeker niet worden voldaan aan de nieuwe EG-verordening, die op 1 januari 1993 in werking zal treden.”

Anders dan de meeste ministeries heeft Landbouw, Natuurbeheer en Visserij met JBZ een juridische directie die een centrale positie inneemt. Deze directie speelt een cruciale rol op het departement: maatregelen worden doorgaans pas van kracht als JBZ die ondersteunt.

De negen beleidsdirecteuren van het ministerie verwijten JBZ met name traagheid bij de uitvoering van de maatregelen.

Een heel ander verwijt treft de directie van de Algemene Inspectiedienst (AID) van het ministerie. Deze dienst zou de minister onjuist voorlichten. Van datzelfde verwijt was ook in september vorig jaar al sprake. Toen met als inzet de cijfers die minister Braks hanteerde in de visaffaire die hem uiteindelijk zijn positie kostte.

Gisteren noemde het Kamerlid Tommel het een pijnlijke affaire als “de minister vrij consequent fout wordt voorgelicht door zijn ambtenaren”.

Minister Bukman legde op 5 maart van dit jaar in een brief aan Tommel uit dat de controleurs van de AID van zijn ministerie een dienstopdracht hebben gekregen de invoer van gifslangen en apen tot nader order niet te controleren. Het antwoord op de Kamervragen in december 1990 luidde dat “er geen richtlijn is uitgevaardigd waarin wordt aanbevolen om geen ladingen meer te controleren”. Verder geeft de minister in zijn brief aan Tommel toe dat de AID niet beschikt over “alle hulpmiddelen waarmee de risico's voor verwondingen bij de controle op gifslangen en apen zo gering mogelijk worden gemaakt”. In het antwoord op de Kamervragen werd gesteld: “Op de afdeling Natuurbescherming van de AID te Schiphol zijn alle hulpmiddelen aanwezig”.

Minister Bukman verklaarde in zijn brief de onjuiste antwoorden te betreuren. Hij zag desondanks geen kans te voorkomen dat ook in dit schrijven de feiten onjuist werden weergegeven. Tommel: “De minister schreef me dat de controle op de invoer van apen slechts oppervlakkig was, maar er had helemaal geen controle plaats”.

Tommel wil de zaak niet al te principieel aanpakken. Hij zegt er niet op uit te zijn dat opnieuw een minister van landbouw sneuvelt, maar hij streeft wel naar een beter beleid. “Ik heb begrepen dat op het ministerie onder de dreiging van het mondeling overleg sprake is van een explosie van activiteiten”, aldus het Kamerlid. “Daarom was het me te doen.”