J. NAGEL; PvdA mist echt kleurrijke figuren

HILVERSUM, 3 april - Het gesprek met de voorzitter van het PvdA-gewest Noord-Holland Zuid, VARA-medewerker J. (Jan) Nagel, is een klein uur gaande als VARA's anchorman P. Witteman vanuit een hoek van de omroepkantine intervenieert. “Zijn er nog ministers die mogen blijven, Jan?” Nagel kan er niet om lachen.

De PvdA verkeert in grote nood en de voorzitter van Noord-Holland Zuid wil dat zijn oplossing serieus wordt genomen: slecht functionerende ministers dienen te verdwijnen. Dat partijleider Kok het voorstel reeds heeft verworpen, dat ook de Tweede-Kamerfractie dit deed, betekent volgens Nagel niet dat het van de partijpolitieke agenda is.

Ook niet nu het Kamerlid Melkert met de reanimatie van Nagels idee zelf meer hoon oogstte dan de bewindslieden die hij de wacht aanzegde.

Nagel: “Het is typerend voor de PvdA van maart 1991 dat de discussie ineens gaat over Melkert en niet over zijn opvattingen. Ik vind dat stuitend. De partij kan er niet omheen dat dit kabinet zwak is. Het publiek heeft er schrikbarend weinig vertrouwen in. Kijk maar naar de peilingen. Dit kan de partij zich niet permitteren. Als de zwakke ministers niet worden vervangen - nee, ik noem geen namen - volgt vanzelf de straf bij de volgende verkiezingen: een nog grotere nederlaag”.

Niet toevallig is het referentiekader van de oud-Nieuw Linkser Nagel het kabinet-Den Uyl ('73-'77). “Toen hadden we jonge ministers als Pronk, Duisenberg en Van Kemenade die voortdurend ideeen lanceerden, mensen enthousiast maakten voor de politiek. Met onze ideologie is nog steeds weinig mis, maar we hebben een stel zwakke figuren die haar aan de man moeten brengen. Je verneemt zelden van ze en als ze iets hebben gaat het over nul-komma-een procent koopkrachtverhoging - of zoiets.”

Nagel zegt de “benauwde” reacties op pleidooien voor verwisseling van ministers niet te begrijpen. Was het niet toenmalig PvdA-leider Vondeling die in 1965 voorstelde vier zwakke bewindslieden uit het kabinet-Marijnen te verwijderen? “Wij hebben zelf het principe bedacht.” Dus moeten Lubbers en Kok deze zomer een paar rustige dagen besteden aan een hernieuwde samenstelling van het kabinet: “Het CDA heeft ook zwakke ministers. Daar kunnen ze best een deal over sluiten.

Ik weet zeker dat er in de partijtop mensen zijn die het met mij eens zijn, ook al zeggen zij dat niet hardop''.

Ministers verwisselen is een aangenaam eenvoudige oplossing voor de PvdA - maar is de redding voor de sociaal-democraten zo gemakkelijk realiseerbaar? De voorzitter van Noord-Holland Zuid denkt dat “we daarmee een heel eind kunnen komen”, maar hij geeft toe: er is meer dat verandering behoeft.

“We hebben geen sterk partijbestuur. En ook de fractie is nogal zwak. Dat komt door het regionalisme in de partij. Vanuit de regio vallen mensen omhoog en de echt kleurrijke figuren - een Bomhoff, een Emmerij, een De Kam - zien we niet in de fractie of het partijbestuur.

Daar zitten de Jan Jansens, de keurige types die altijd in de buurt zijn als er baantjes moeten worden verdeeld. Dat moet anders. Want zo ging het ook in de kabinetsformatie: de mensen die dicht in de nabijheid van Kok zaten - de leden van het fractiebureau - kwamen nagenoeg allemaal in het kabinet. Ik verwacht geen wonderen van de commissie-Van Kemenade (die de partijcultuur tegen het licht houdt - red.), maar wel dat met het regionalisme wordt afgerekend.''

Het vergt een scherpe aanval op de bestaande verhoudingen. De huidige partijcultuur geeft bijvoorbeeld het gewest Noord-Holland Zuid gelegenheid twee Kamerleden af te vaardigen. Ze luisteren naar de namen Stoffelen en Netelenbos. En kan Nagel het zich permitteren die mensen te laten vallen? Niet onmiddellijk, geeft hij toe. “Maar we moeten af van het per regio kandideren van Kamerleden. We moeten de kandidatenlijst voor de Kamer laten opstellen door een commissie van negen die bestaat uit drie vertegenwoordigers van de gewesten, drie leden uit de partijtop en drie leden die onafhankelijk en deskundig zijn - type Wim Meijer. Dan kan daarna de partijraad een definitieve lijst samenstellen.” Die partijraad is eveneens voornamelijk uit regionale vertegenwoordigers opgebouwd. Laat Nagel 'zijn' mensen dan vallen? “Als ik ze goed vind niet”, geeft hij toe. Ook in de PvdA zijn de marges smal.

Het neemt niet weg dat er volgens de voorzitter van Noord-Holland Zuid ook aan inhoudelijke vernieuwing moet worden gewerkt. “De PvdA moet weer koploper worden in de discussie over maatschappelijke vernieuwing. De partij is nu veel te conservatief. Men houdt krampachtig vast aan het bestaande. In Nederland is het ziekteverzuim veel groter dan in het buitenland, dan moet de PvdA tegen de vakbeweging durven zeggen: jammer, maar we introduceren twee wachtdagen in de ziektewet. Want wie betalen het gelag als we niets doen? De mensen met een pensioentje - dan bijten we onzelf in de staart.”

Zo heeft Nagel een reeks voorbeelden voorbereid. De criminaliteit: “Waarom horen we niets over een daadwerkelijke bestrijding?”

Milieuvervuiling: idem. Defensie: “Als Relus niet meer bezuinigingen aandurft, doet de fractie het toch?” Oort: “Waarom is de riante positie van de hoge inkomens geen PvdA-item?” De gekozen burgemeester: “Zijn we daartegen omdat mandarijnen als Peper niet mogen verdwijnen?”

Voorwaarts, leve de verandering. Maar is er garantie op verbetering als de huidige leider aanblijft? De voorzitter van Noord-Holland Zuid vindt hem bekwaam en integer en heeft alle vertrouwen in hem. “Maar bij het leiderschap van de partij hoort ook inspireren en enthousiasmeren. Dat mis ik. In de politiek moet er iets te kiezen zijn. Een leider moet dat uitstralen. Een geestdrift: 'Vandaag timmeren we erop!' Dat moet Kok meer laten zien.” Maar vervangen?

Nagel vindt van niet. Aandringen op het verwisselen van leidende figuren kan ook te vroeg komen. Zo maakt P. van Praag in zijn studie van het interne PvdA-debat tussen 1966 en 1977 uit de notulen van het partijbestuur op dat Nagel zich in 1972 in het partijbestuur opwierp als “consequent pleitbezorger van het vertrek van (toenmalig leider) Den Uyl”. Gezien het “succes” dat Nagel nu aan het kabinet-Den Uyl toeschrijft wellicht een pijnlijke herinnering, maar nee. Nagel stelt nadrukkelijk dat Van Praag zich heeft vergist: “Ik heb nooit het vertrek van Den Uyl bepleit. Ik heb hem zelfs gesteund toen hij in 1972 tot lijsttrekker werd gekozen”. Het eerste deel in deze serie verscheen zaterdag

Er zit bovendien een klein denkfoutje in de geallieerde analyse. Je kunt niet ongestraft de bevolking van een land als Irak laten uitmoorden ter wille van een denkbeeldige stabiliteit, zonder dat zulks op de lange duur ernstige politieke gevolgen heeft, die juist de instabiliteit van het gebied vergroten. Bovendien wordt het nobele streven Koeweit te bevrijden in het belang van een betere wereldorde door de thans gevolgde non-interventie-politiek er niet geloofwaardiger door.