In wiens belang werkt de fondsenbeheerder?; Robeco wil beleggers opvoeden

ROTTERDAM, 3 APRIL. Voor wie zijn boterham verdient met het beheren van andersmans geld verandert er de laatste tijd veel. Sinds op 15 oktober vorig jaar de wet gewijzigd is, moeten naar schatting 300 beleggingsfondsen een vergunning vragen bij de Nederlandsche Bank. Slechts 40 van hen hebben dat tot dusverre gedaan. De rest heeft tot de uiterste termijn van 15 april de tijd.

De Nederlandsche Bank verklaart dat gebrek aan enthousiasme door erop te wijzen dat veel van die vermogensbeheerders zichzelf niet als beleggingsfonds in de zin van de wet beschouwen. De definitie is wat onduidelijk, maar veel beheerders zullen menen slechts onroerend goed te ontwikkelen, zaken te exploiteren, te investeren of te particperen in plaats van te beleggen in de zin der wet. Andere zullen menen dat ze zich niet tot een breed publiek richten en als besloten fonds niet onder de wet vallen.

Duidelijk is dat de vermogensbeheerders niet staan te trappelen om Duisenbergs keurmerk te krijgen (al maakt zo'n vergunning het mogelijk in de rest van de EG beleggers te benaderen). Fondsenbeheerders wijzen erop dat het nogal wat voeten in de aarde heeft om de eigen administratie aan te passen aan de eisen van De Nederlandsche Bank die van dag tot dag de waarde wil kunnen weten. Vooral de waardering van niet genoteerde beleggingen is een groot struikelblok.

Nederlands grootste beleggingsinstelling, het Rotterdams Beleggings Consortium (de Robeco-Groep), heeft dat probleem van hoe niet beursgenoteerde waarden te waarderen vorig jaar aan den lijve ervaren.

De beurs meende dat het onroerend goed van Rodamco minder waard was, dan de door Rodamco ingehuurde taxateurs vonden. Het fonds werd gedwongen het opkopen van eigen aandelen op te geven. De koers van Rodamco, die eerst was gebaseerd op die getaxeerde intrinsieke waarde, wordt sindsdien bepaald door vraag en aanbod op de effectenbeurs. Die waardeerde Rodamco eind vorig jaar 28,3 procent lager dan het management onder leiding van de inmiddels aangetreden voormalig goeverneur van Limburg Kremers.

Had de Robeco-groep het vertrouwen van beleggers beschaamd, had het management te lang geaarzeld, of was door nood gedwongen de beste keus voor de deelnemers gemaakt? Dat waren de vragen die na het “sluiten”

van Rodamco werden gesteld. Robeco gaf antwoord via paginagrote advertenties en via brieven aan al zijn deelnemers. Maar de argumentatiekracht van Robeco werd ondermijnd doordat vorig jaar - en vooral in het derde kwartaal van dat jaar - werkelijk alles tegenzat. Niet alleen onroerend goed werd minder waard, ook aandelen en obligaties verloren in waarde en de valuta's bewogen anders dan door de meeste mensen was voorzien. Helemaal vervelend voor het internationaal opererende Robeco was dat de Nederlandse markt het relatief bijna het beste deed, waardoor de aantrekkingskracht van internationale spreiding van risico's plots terugliep.

Het resultaat van Robeco zelf was minus 16,6 procent, dat van Rolinco minus 22,6 procent. Rorento won 1,2 procent. Beleggers wilden weg. Het totaal door Robeco beheerde vermogen liep dan ook terug van 45,8 tot 38,8 miljard gulden, een daling van 14 procent.

Maar nu aan het eind van het eerste kwartaal kan Robeco de buitenwereld weer makkelijker in de ogen kijken. In het eerste kwartaal van 1991 zijn de beleggingsresultaten van Robeco plus 14,8 procent, van Rolinco 17,9 procent en van Rorento 5,2 procent. En al zijn procentjes erbij kleiner dan procentjes eraf, toch kan Robeco nu weer vergelijkingen met vrijwel alle andere beleggingsfondsen laten zien, die tonen dat de groep de concurrentie versloeg.

Maar al zijn de resultaten weer wat beter, dat betekent nog niet dat alle beleggers die Robeco in de slechte tijden verlieten, nu weer terug zijn. Het vermogen van de groep heeft zich hersteld tot 41,5 miljard gulden, een stijging van 2,6 miljard oftwel slechts 7 procent.

Daarin zitten dan nog voor een miljard de van de Rabo overgenomen fondsen.

Dat plaatst ook het grote Robeco voor het dilemma dat in een van de oudste beroepen ter wereld bestaat sinds de tweede mens het vermogen van de eerste beheerde: In wiens belang werkt de beheerder, in dat van zijn client of in dat van zichzelf. De client wil een goed beleggingsresultaat, de beheerder wil zo'n groot mogelijk vermogen beheren, want hoe meer hij beheert des te meer hij verdient. Weinig beheerders willen alleen maar een deel van de winst. De meeste hebben liever een vast inkomen.

De Robeco Groep kan aan het beleggingsresultaat niet veel meer doen dan de ups en downs van de internationale kapitaalmarkten toelaten.

Robeco kan slechts tonen het beter te doen dan het gemiddelde. Dat lukt, als het fonds heel groot wordt, alleen door wat andere wegingen in de portefeuille aan te houden dan de wereldindex. Relatief wat minder beleggen in Japan, betekent bij voorbeeld, dat als de beurs van Tokio zwak is, Robeco het beter doet dan de wereldindex.

Maar aan het vergroten van het belegd vermogen kan Robeco zelf wel werken. Via de joint ventures met de Rabobank is een heel nieuw distributiekanaal voor de Robeco-produkten veilig gesteld, voordat de Postbank-beleggingsfondsen een nog serieuzer concurrent kunnen worden.

Maar groei van het vermogen is ook te halen door te voorkomen dat beleggers weg lopen in magere jaren. Juist in perioden van langdurige koersdalingen doen particuliere beleggers hun aandelen in Robeco van de hand. “Dat is voor ons het ritme van de markt,” aldus onlangs Robeco-voorzitter prof P. Korteweg. Door de lage beheerskosten is Robeco echter bestand tegen dat enorme aanbod van eigen aandelen in slechte tijden op de beurs. Die particuliere beleggers doen het altijd verkeerd: ze verkopen bij dalende koersen en kopen als de koersen stijgen. Angst en hebzucht zijn de dominerende emoties die het particuliere beleggingsgedrag bepalen, aldus Korteweg: “Daar ligt voor ons een opvoedkundigde taak. Wij willen particuliere beleggers daarvoor behoeden, in ons en in hun eigen belang.”

De Robeco-topman onderscheidt eerlijk “ons” belang en het belang van beleggers. Door meer beleggers binnen Robeco te krijgen, wil hij beide belangen dienen.

De mode in beleggersland is echter dat beleggers niet meer de fondsbeheerders het vermogen willen laten spreiden, iets afwijkend van de wereldindex. Ze willen zelf uit kunnen maken welke delen van de wereldeconomie het meest beloven. Daarom zijn er speciale fondsen in opkomst die beleggen in het Verre Oosten, of alleen in Thailand, of in bedrijven die overgenomen zouden kunnen worden, of in Hongarije, of in de media-sector.

Het bestaansrecht van Robeco, dat namens alle particulieren het vermogen spreidt over alle sectoren in de hele wereld, dreigt daarmee te worden aangetast. Robeco maakt zich op om terug te slaan en zal zelf nu ook komen met aparte specialistische fondsen.

Daarmee kunnen rare situaties ontstaan. Het ene fonds in de Robeco-groep kan in theorie aandelen kopen die een ander fonds straks juist verkoopt. Oftewel het ene deel van de groep, kan waardepapier verkopen aan een deel van de groep dat de belangen van andere beleggers behartigt. Het lijkt allemaal wat omslachtig te worden. Het is ook de vraag of Robeco's eigen belang en het belang van beleggers wel met elkaar sporen. Wie niet in een internationaal gespreid fonds wil beleggen, moet niet bij Robeco zijn. Maar Robeco wil die mensen toch binnen de groep houden. Is die wens nu ingegeven door het belang van beleggers of het belang van de vermogensbeheerders, mag men zich afvragen.