Holland annexeert zichzelf

Toen een jaar of wat geleden het Concertgebouw in Amsterdam op instorten stond, stelde de gemeente een bedrag beschikbaar, ongeveer voldoende om de helft van het aantal palen te heien waarmee de ramp kon worden voorkomen.

Aan de hardnekkigheid waarmee de directeur, de heer Martijn Sanders, toen het bedrijfsleven heeft bewerkt en aan de verstandige reacties van die kant is het te danken dat het wereldberoemde gebouw nu in uitstekende staat verkeert. Met een dergelijke hardnekkigheid heeft de heer Theo van Gogh het belang van de Collectie Vincent van Gogh verdedigd, zodat nu in Amsterdam een museum staat dat even beroemd is als het Concertgebouw. Twee gevallen waarin een aanvankelijk kortzichtige en schriele overheid door particulieren van een historische flater is gered.

Met deze twee voorbeelden in gedachten zal men misschien beter kunnen begrijpen hoe onze regering in samenwerking met de Nederlandse uitgevers bezig is, in de val van domheid en schraapzucht te lopen.

Drie jaar geleden kreeg de heer Brinkman, toen minister van WVC het idee, Nederland op de Frankfurter Buchmesse als de centrale natie van die enorme culturele jaarmarkt te presenteren. Ieder jaar valt een ander land de eer te beurt op alle gebieden van de cultuur zijn beste beentje voor te zetten. Vanzelfsprekend gaat daar een lange tijd van voorbereiding aan vooraf, zodat het uitverkoren land zowel als de organisatoren van de Messe al vroeg moeten weten waar ze aan toe zijn.

In Den Haag werd dus een paar jaar op het cultureel perspectief gestudeerd. Vorige maand zijn de minister en de uitgevers tot de conclusie gekomen dat er ongeveer vijf miljoen te weinig is - een bedrag ter grootte van een normaal, niet noemenswaardig tegenvallertje - zodat de natie heeft afgezegd. Het is onbeleefd, het is lachwekkend, het is vooral dom maar daarom nog niet ongewoon.

De Nederlandse culturele aanwezigheid in het buitenland staat bloot aan een politiek van systematische uithongering. Wie weleens bij onze diplomatieke vertegenwoordigingen op bezoek gaat, kan daar horen hoe het budget van iedere culturele attache (als er al zo'n functionaris is) tot op sterven na dood wordt beknibbeld. Ik ken een paar gevallen waarin diplomaten uit eigen zak iets voor de Nederlandse kunst bekostigden omdat ze zich voor de officiele armetierigheid geneerden.

Somber en moedeloos door ervaring wijzen ze op het grote buitenland, de speciale organisaties als de Alliance Fran(c,)aise, de British Council en het Goethe Instituut die met benijdenswaardige continuiteit, dus met redelijk budget, de kunst en wetenschap van hun land verbreiden. Men wordt daar trouwens niet door louter culturele overwegingen bewogen: men beseft er dat een nationale beschaving een geheel is. Wetenschap, geschiedenis, economie, handel, kunst, het hoort tenslotte allemaal bijelkaar, en dat geheel is de typische beschaving van de natie die dus ook in het buitenland als geheel vertegenwoordigd moet worden. Daarbij kan het zelfs wel eens voorkomen dat de kunst voor de baat uitgaat. De Japanse voorhoede bestaat vaak uit culturele vertegenwoordigers; daarna komt de hoofdmacht van industrie en handel.

Nederlandse overheden laten niet in woorden maar wel in daden blijken dat ze vijanden van de cultuur zijn. De aanvallen op het onderwijs in geschiedenis en Nederlands zijn niet te tellen. Afschaffing van het opstel, plan tot het uitroepen van het Engels als voertaal aan de universiteit, sloop van historische bouwwerken, beperking van de openingstijden der musea, onbegrijpelijk gehaspel met de omroepen, om maar eens een paar dingen te noemen. En dan natuurlijk die gedrochtelijk afleiding van het Nederlands die in 'politiek Den Haag'

wordt gesproken, met dat toppunt van parlementaire retoriek, als de geachte afgevaardigde een vinger in zijn borstbeen priemt en roept: “Dat hebt u mij niet horen zeggen”! Kortom, het hoeft geen verbazing te wekken dat de Nederlandse aanwezigheid op de Frankfurter Buchmesse op zo'n klungelige manier is afgelast. Het past in het algemene beeld; maar daarom hoeven we er ons nog niet bij neer te leggen.

“Holland annexeert zichzelf”, zeiden de Duitsers voor de oorlog als ze het hadden over de vraagstukken die ze bij het vestigen van de nieuwe orde moesten oplossen. Ze verwachtten toen dat de inlijving van onze natie weinig meer zou zijn dan een formaliteit die door de Nederlanders zelf zou worden geregeld. Het bleek toen een vergissing te zijn, al heeft niet het hele volk dat de bezetters laten blijken.

Nu zijn we in ieder geval veel dichter bij de zelfannexatie. De volgende fase in de eenwording van Europa zal een verscherping van de wedijver tussen de deelnemende nationale culturen tot gevolg hebben.

Om zich op die competitie voor te bereiden, oefenen de instituten die de belangen van onze cultuur behartigen, zich in capitulatie. Als je niet wist dat je in een democratie woonde, zou je geneigd zijn onder te duiken en in het verzet te gaan. Harry Mulisch heeft gelijk met zijn ingezonden brief in de Volkskrant: er dreigt landverraad. Ook op het gebied van de cultuur kunnen instanties die bij gebrek aan vijf miljoen gulden al de witte vlag hijsen, een verraderlijke rol spelen.

Een regering in een democratie moet ervoor zorgen dat haar kiezers in het buitenland niet worden uitgelachen; dat is het geringste wat ze mogen verwachten.