Hedendaagse muziek uit China getuigt van een geslaagde revolutie

Concert door Nieuw Ensemble o.l.v. Ed Spanjaard. Werken van Xuntian, Wenjing, Shuya, Qigang, Wuping, Dun en Xiaosong. Gehoord: 2- 4 Paradiso Amsterdam. Herhaling 3-4 Vredenburg, Utrecht, 5-4 De Doelen, Rotterdam, 6-4 Oosterpoort, Groningen.

Vrouwtje Piggelmee woonde in een oude schoen, maar dat de componist Mo Wuping met zijn vrouw in een soort van stenen doos huisde zonder keuken of stromend water, is beslist geen sprookje. Joel Bons, artistiek leider van het Nieuw Ensemble kon het in Peking ter plekke vaststellen. Maar ook nadat Wuping zijn land verliet na de bloedig neergeslagen revolutie op het Plein van de Hemelse Vrede verliep niet alles van een leien dakje: in Parijs sliep hij een tijd lang... op een bank.

Joel Bons had Mo Wuping in 1988 leren kennen; bij zijn bezoek aan het ISCM-festival in Honkong besloot hij om over de grens zijn licht eens op te steken. Een en ander resulteerde in een uniek programma waarin liefst zeven componisten uit de Volksrepubliek werden voorgesteld, van wie er inmiddels vijf buiten hun land wonen.

Bijna alle Chinese componisten streven naar een integratie van hun volksmuziek in de hedendaagse. Tan Dun gebruikt westerse instrumenten maar laat ze als oosterse klinken: de harp herinnert aan de felle citer en de piccolo aan de bamboe-fluit. Zijn In distance uit 1987 werd weer uitgevoerd met de componist als solist, dit maal niet als zanger maar als bespeler van de grote trom. Dit stuk voor piccolo, harp en grote trom, klinkt eigenlijk als een gewone Chinese volksmuziek, die door fragmentatie avant-gardistisch overkomt.

Wupings Fan I (1991) voor mannenstemmen en negen instrumenten begint met een schreeuw, een stijgend glissando dat door merg en been gaat, ruig en rauw, en die stemming blijft, opgejaagd nerveus, kort en to the point. Het is sterke muziek.

Spectaculair is Phonism (1990) van He Xuntian, waarin het ensemble is opgesplitst in een blazers-, tokkel- en strijktrio. Ook het slagwerk blijkt in drieen opgedeeld: cymbalen, tamtam en weer die bij de Chinezen zo favoriete bastrommel. Elk trio speelt op een ander plateau, de blazers zelfs metershoog op balconhoogte. Aan het verrassende slot zingen de blazers, als een handtekening in Chinese lettertekens onder een westerse brief.

Zeer veel succes oogstte Chen Qigang met zijn Poeme lyrique II (1991) voor de formidabele bariton Shi Ketong en veertien instrumenten naar een gedicht van Su Shi uit 1076. Deze componist won diverse internationale prijzen, werd in 1989 uitgeroepen tot Chinees musicus van het jaar en kreeg reeds opdrachten van Radio France en Ircam. Maar het meest beviel mij het werk van Guo Wenjing. De titel van zijn compositie She Huo (1990) verwijst naar een vrolijk dankritueel voor de goden dat buiten de tempel wordt gehouden, misschien meer vermakelijk dan sacraal.

De revolutie op het Plein van de Hemelse Vrede mag dan bloedig zijn onderdrukt, de revolutie in de muziek is zonder meer geslaagd. Hoewel deze Chinezen nog maar enkele jaren experimenteren, hun stukken zijn nu reeds uiterst trefzeker.