Een miraculeuze zelfreiniging in Bulgarije

De weg naar het fatsoen kan lang zijn en pijn doen, zeker voor een partij die meer dan veertig jaar lang onbekommerd en ongehinderd een loopje heeft genomen met dat fatsoen. Voor de Bulgaarse Socialistische Partij bijvoorbeeld, die als Bulgaarse Communistische Partij 45 jaar lang het monopolie op alle wijsheid had en die zich nu van een verleden vol lelijks moet zien te ontdoen.

De BSP heeft eind vorige week diep gebogen, na een lang en moeizaam intern debat, en zich in een speciaal officieel document bij het volk beleefd verontschuldigd voor alle wandaden die in het verleden in naam van datzelfde volk en in naam van de vooruitgang en het socialisme zijn gepleegd. En om duidelijk te maken dat de schuld voor die wandaden niet de partij als zodanig kan worden aangewreven, heeft de BSP in een tweede document laten weten welke individuen uit de oude leiding van de partij zich waaraan precies schuldig hebben gemaakt. En daarbij is een wonder gebeurd, want de huidige kopstukken van de BSP blijken, ondanks een lang verleden in de omgeving van de zondebokken, miraculeus genoeg schone handen te hebben.

De Opperste Raad van de BSP, het partijbestuur van de ex-communisten, heeft zich maandenlang het hoofd gebroken over de inhoud van de twee documenten. Het interne debat over de vraag waarvoor men het volk eigenlijk excuses schuldig was, betrof dan ook nogal wat verschillende terreinen: het betrof de vraag in welke mate de BSP, als opvolgster van de ter ziele gegane communistische BKP, verantwoordelijkheid moest aanvaarden voor de sociaal-politieke crisis, voor structurele veranderingen en de uiteindelijke ruinering van de economie, voor de hoge buitenlandse schuld, voor de ernstige toestand van de landbouw, voor de aangerichte milieuschade, voor de nationaliteitenkwestie - dus de campagne tegen de Turkse minderheid in 1984 en 1985 -, voor de privileges voor bepaalde groepen in de samenleving, voor de gevangenkampen van de jaren vijftig, voor alle politieke willekeur van het verleden en voor de internationale positie van Bulgarije.

Dat de partij een collectieve schuld moest zien te vermijden en zich dus moest gaan bezighouden met de schuld van individuele leiders, lag voor de hand, hoe weinig dat ook strookte met de altijd stug volgehouden stelling dat het beslissingsproces binnen de BKP op het principe van de collectieve leiding berustte. De vraag wie, wanneer, waarom, welke beslissingen nam en wie ze uitvoerde, is sinds de stichting van de partij altijd afgewezen, want beslissingen heetten steeds het werk te zijn van organen als het Centraal Comite, het partijcongres en vooral het politburo. Nog altijd verschuilt de voormalige opperste leider, Todor Zjivkov, zich achter het argument dat elk besluit een collectief besluit is geweest.

Van dat collectieve wil de BSP nu dolgraag af: dat staat per slot van rekening de afrekening met het verleden zelf in de weg en het belast de huidige leiders, mensen als Aleksandur Lilov en Andrej Loekanov die zo lang in Zjivkovs politburo hebben gezeten en moeten hebben deelgenomen aan de collectieve besluitvorming.

Het eerste document werd donderdag gepubliceerd in het partijblad Doema: de BSP bood iedereen die “moreel, fysiek en professioneel”

slachtoffer van het totalitarisme is geworden - dus eigenlijk het hele volk - haar verontschuldigingen aan. De oorzaak van alle ellende, zo stelde de Opperste raad, is gelegen in “het stalinistische politieke systeem dat Bulgarije werd opgedrongen”. De BSP gaf in het document de “over-ideologisering van het intellectuele leven” toe, de “ernstige fouten” in de Turkse kwestie en de vervolging van andersdenkenden. De partij heeft 3500 boosdoeners uitgestoten en afscheid genomen van oude stokpaardjes als de dictatuur van het proletariaat, het democratisch centralisme, de absolute rol van de klassenstrijd, het ideologische en politieke monopolie, de totale controle van boven en centraal economisch management. En zij voelt, aldus het document, “medeleven” met iedereen die zonder grond heeft geleden.

Maar in een adem door stak in het document het beginsel van de zelfbescherming de kop op. Want, zo stelde de BSP, “de bladzij van het politieke geweld” moet nu maar eens worden omgeslagen, de “partij als geheel” is ook niet verantwoordelijk voor de vergissingen en misdaden van “zekere leiders”, de partij heeft zich bekeerd, is nu “een moderne partij van het democratisch centralisme”, de “politieke zelfzuivering” is voltooid. En tegelijkertijd werd beloofd dat de partij de namen nog zou noemen van diegenen die werkelijk en individueel verantwoordelijk waren, voor de Bulgaarse Goelag, voor de campagne tegen de Turken en voor de economische en ecologische crisis.

Wie schuldig was, althans volgens de Opperste Raad van de BSP, bleek in het tweede document, dat zaterdag in Doema verscheen. Het was haast voorspelbaar: degenen die in novembert 1989 Todor Zjivkov hebben gewipt en die voor die paleisrevolutie zolang deel hebben genomen aan het collectieve beslissingsproces waarmee Bulgarije de vernieling in is geholpen, blijken onschuldig. Petar Mladenov, Andrej Loekanov, Dobri Dzjoerov, Aleksandur Lilov - al die namen waren zaterdag mysterieus genoeg niet te vinden op de BSP-lijst van zondebokken, ook al is Dobri Dzjoerov meer dan twintig jaar lang minister van defensie geweest, en was Petar Mladenov achttien jaar lang minister van buitenlandse zaken en twaalf jaar lang lid van Zjivkovs politburo.

De grote zondebok heet uiteraard Todor Zjivkov, die de partij van 1954 tot 1989 heeft geleid en die al vlak na de paleisrevolutie van november 1989 door zijn opvolgers in alle toonaarden zwart is gemaakt.

Hij heeft zich, zegt de BSP, “de macht toegeeigend” - de rest van het politburo heeft er al die decennia kennelijk machteloos bijgezeten. Alleen enkele oude en gevallen kameraden die inmiddels geen rol van betekenis meer spelen, delen in het paasbosje rode kaarten van de BSP: Milko Balev, Zjivkovs rechterhand, die met hem terechtstaat en die vorige week de rechtbank nog uitdagend toeriep dat hij weigerde zich te laten offeren om de carriere van zijn voormalige politburocollega's te redden, “al spijkert u me op een vijfpuntige ster”. Andere rode kaarten gingen naar ex-premier Georgi Atanasov, de man die tijdens de paleisrevolutie door Zjivkov nog even is voorgedragen als toekomstig partijleider, en de ex-ministers van buitenlandse zaken Dimitar Stojanov en Georgi Tanev, en naar ex-premier Grisja Filipov: zij zouden de architecten van de anti-Turkse campagne zijn.

De rest is lelieblanke onschuld: Loekanov is onschuldig aan de economische crisis of de hoge buitenlandse schuld, hoewel hij behalve minister van buitenlandse handel ook vice-premier en lid van het politburo is geweest en in die hoedanigheden is belast met het economisch beleid. En ook Mladenov is niet schuldig, al heeft hij twaalf jaar meebeslist en achttien jaar Zjivkovs beleid verdedigd in de honderd hoofdsteden waar hij op bezoek is geweest en al jokt hij nog stevig over zijn vermeende gebrek aan verantwoordelijkheid in het verleden. En Dobri Dzjoerov, de nestor van het politburo: ook hij heeft zich - volgens de BSP - altijd uitsluitend fatsoenlijk gedragen, al waren het zijn militairen die Turken doodschoten en de kampen bewaakten. En gelukkig voor de BSP-leiding zijn in individuele en concrete gevallen - zoals in dat van de beruchte 'paraplumoord' op de dissidente schrijver Georgi Markov - de dossiers van de geheime politie op wonderlijke wijze vernietigd, zodat concrete schuld niet valt te bewijzen.

Zo kregen de Bulgaren een heus paaswonder voorgeschoteld: de miraculeuze zelfreiniging van de Bulgaarse Socialistische Partij. De lelijke rups is een mooie vlinder en de oude huid, in de vorm van zondebokken als Zjivkov c.s., is moeiteloos bij de vuilnisbak gedrapeerd. De verkrachter die 45 jaar heeft huisgehouden biedt excuus aan en vraagd beleefd de pagina van het verleden om te slaan: hij wil weer een brave burger worden. Sterker: hij is dat eigenlijk altijd al geweest.

14.000 werknemers