China krijgt twee nieuwe vice-premiers en staatsraad

PEKING, 3 april - Het persbureau Nieuw China heeft vandaag bekendgemaakt dat er twee nieuwe vice-premiers en een nieuwe staatsraad (state-councillor) zullen worden benoemd. Het bericht komt na drukke speculaties of er wel of niet veranderingen in de Chinese regeringstop zouden plaatshebben.

Wie de nieuwe functies zullen vervullen is niet gezegd, maar in kringen van diplomatieke en politieke waarnemers worden al enige weken de namen genoemd van de burgemeester van Shanghai, Zhu Rongji (62) en de minister van de staatsplanningcommissie Zou Jiahua (64), als de nieuwe vice-premiers; de huidige minister van buitenlandse zaken Qian Qichen (62) zou mogelijk de nieuwe state-councillor worden zijn.

De staatsraad is de naam van het kabinet en elke minister is daarvan lid, maar de titel state-councillor is in 1982 bij de reorganisatie van de staatsraad ingesteld voor elf bejaarde vice-premiers, die toen tot aftreden overreed moesten worden. Later is de titel gereserveerd voor ministers van leidende ministeries en de burgemeester van Peking.

Er zijn er nu negen staatsraden. Of het aantal vice-premiers verhoogd zal worden is nog niet duidelijk.

Er zijn er nu drie. De eerste vice-premier Yao Yilin (74) heeft kanker en is volgens Chinese bronnen stervende. Yao is een van de meest orthodoxe neo-stalinisten en zijn heengaan zou tot een lichte ombuiging van het economische beleid in liberale richting kunnen leiden. Yao werd als minister van de staatsplancommissie in december 1989 al vervangen door Zou Jiahua.

Yao bleef echter, meer nog dan Li Peng de architect van het nieuwe conservatieve economische beleid. Zou wordt de nieuwe 'economische tsaar' en heeft dezelfde achtergrond als Li Peng. Hij kreeg een ingenieursopleiding in de Sovjet-Unie en werkte na zijn terugkeer naar China in de machine- en militaire industrie.

In 1988 werd hij minister van een vergroot ministerie van machinebouw en elektronische industrie. Als zodanig is hij de super-manager van China's talrijke verlieslijdende staatsbedrijven in die sectoren. Eind 1989 werd hij hoofd van de staatsplancommissie. Zou is conservatief, maar minder ideologisch dan Yao Yilin. Hij is getrouwd met een dochter van wijlen maarschalk Ye Jianying en is als zodanig een zwager van de gouverneur van de rijke zuidelijke provincie Guangdong, Ye Xuanping, die wellicht tot aftreden zal worden gedwongen wegens zijn oppositie tegen premier Li Peng.

Zhu Rongji, burgemeester van Shanghai sinds 1988 en tevens partijsecretaris sinds de promotie van Jiang Zemin tot algemeen partijsecretaris na de afzetting van Zhao Ziyang in juni 1989, geldt daarentegen als de meest sympathieke liberaal van China's partij-elite, die algemeen als de toekomstige opvolger van de zeer onsympathieke Li Peng wordt gezien. Zhu is eveneens een elektro-technisch ingenieur, maar van China's eigen leidende Qinghua Universiteit.

Hij vervulde naast een aantal technisch-industriele ook academische en economische functies. Van 1983 tot 1987 was hij adjunct-directeur van de inmiddels afgeschafte staatscommissie voor de economie. In 1987 werd hij plaatsvervangend partijsecretaris van Shanghai. Als burgemeester heeft Zhu naam gemaakt als een 'doener' die de loodzware bureaucratie vereenvoudigd heeft, zowel voor zijn eigen burgers als voor het internationale zakenleven. Velen beschouwen het als Zhu's verdienste dat het leger in juni 1989 niet Shanghai is binnengemarcheerd om net als in Peking een bloedbad aan te richten. De laatste anderhalf jaar is hij de kampioen van het Pudong-project, een mammoet-plan om de oostelijke oever van de Huangpu-rivier in Shanghai te ontwikkelen en Shanghai na 40 jaar verval opnieuw tot een wereldstad te maken.

Zhu leidde investeringsmissies naar Hongkong en de VS, vooralsnog met weinig succes. Momenteel is hij in Italie en over enkele dagen zal hij in Nederland aankomen. Zhu zelf zou met gemengde gevoelens uit Shanghai vertrekken, omdat het Pudong-project nog niet echt van de grond is. De belangrijkste reden is dat het internationale bankleven geen miljarden op tafel wil leggen zolang de regering niet zelf de infrastructuur financiert en er geen optimistischer beeld over de politieke toekomst van China bestaat.