Centen onder je rok

Op de laatste zaterdagmiddag van de boekenweek signeerde ik te Rotterdam. Amper had ik de eerste boeken getekend of aan mijn tafeltje verscheen een stram, oud dametje dat rustig in mijn werken begon te bladeren.

Even later doemde een nog vrij jonge man op die zich naar mij vooroverboog en bedeesd vroeg: “Mag ik voor u bidden?” Verbaasd keek ik op en terwijl ik nog nadacht over een passend antwoord op dit ongebruikelijke verzoek, smeet het oude dametje het boek neer waarin zij had staan bladeren en riep met overslaande stem: “Wat? Bidden?

Voor die man? Bent u nou helemaal gek, die man heeft helemaal geen gebed nodig, waarom bidt u niet voor mij, ik ben 75 en niemand bidt voor mij.''

“Ja, mevrouw”, zei de bedeesde jongeman zenuwachtig, “maar ik heb meneer 't Hart bij Sonja gezien en hij heeft een groot probleem en daarom wil ik voor hem bidden.”

“Wat!” riep het oude dametje, terwijl haar bril een salto maakte op haar neus, “U wilt voor die schrijver bidden omdat hij af en toe een paar kousen wil aantrekken? Meneer, ik trek al 75 jaar kousen aan, denkt u niet dat er dan veel meer reden is om voor mij te bidden, wacht, ik zal mijn naam en adres opschrijven, en mijn telefoonnummer, dan kunt u vanavond als u met uw blote knieen op het koude zeil voor uw bed ligt, voor mij bidden.”

“Ja, mevrouw”, stotterde de bedeesde jongeman, “maar voor u is het normaal om kousen aan te trekken, voor meneer. . .”

“Ik zie niet in wat daar abnormaal aan is. Toen ik jong was stond iedereen op z'n kop als een vrouw een broek aantrok, je had zelfs dominees die d'r van gingen braken, hele kerken zaten voor die vrouwen te bidden, en moet je nou eens zien, d'r is haast geen jonge vrouw meer die nog een rok draagt, ze lopen allemaal in van dat spijkergoed.”

Ze zweeg even, greep toen de bedeesde jongeman bij z'n kraag en voegde hem met stentorstem toe: “Ik zal u eens wat zeggen, bidgraag heerschap, als die vent daar in de woestijn, kom hoe heet hij ook weer, als die Satan Hoestzijn d'r lol in had om af en toe een paar kousen aan te trekken zouden 200.000 mensen die nu onder het warme zand liggen, nog springlevend zijn.”

Ze liet de bedeesde jongeman los, keek mij aan en zei: “Tegenwoordig, met die panty's is het ook niet zo erg meer om een paar kousen aan te trekken, vroeger moest je met van die jarretels werken en daar braken altijd die knoopjes vanaf, en dan moest je in plaats daarvan zo'n oogje met een cent vastzetten. Je liep altijd met vier centen onder je rok! Vandaag de dag zou je toch hopeloos onthand zijn als je geen panty's meer had, want de cent is uitgestorven.”

De bedeesde jongeman zei zacht: “In de bijbel staat dat het God een gruwel is als een man de kleren van een vrouw aantrekt, daarom wil ik voor meneer 't Hart bidden.”

“D'r staat zoveel in de bijbel”, zei het oude dametje, “d'r staat ergens: Worden niet twee mussen voor een stuiver verkocht. Nou, ik ben 75 en straks ben ik oud, maar ik heb nog nooit ergens een mus te koop aangeboden gezien, laat staan twee. Wie wil er nou twee mussen kopen?

Ik niet in ieder geval. Nee, de bijbel, ik trouwde en kreeg zo'n huwelijksbijbel, kom dacht ik, ik zal d'r eens in opzoeken hoe je rode kool moet klaarmaken, nou, nergens hoor, in de hele bijbel niet, d'r staat niet een recept in, en wat die kleren betreft wil ik nog zeggen, als je vroeger met zo'n flanelbord op de zondagsschool de blijde boodschap kreeg, hadden die apostelen altijd jurkjes aan, altijd. Dus waar praten we nou over?''

“Ja, maar God . . .” zei de bedeesde jongeman. “D'r is zo'n zondagsschoolliedje,” zei het dametje, “Ver boven 't prachtig sterredak, daar is een heerlijk oord, waar zaal'gen in een blank gewaad, God prijzen ongestoord. Dus, meneer 't Hart, wees gerust, straks mag u in een mooie witte bruidsjurk voor Gods troon de Here prijzen.”

Ik zweeg even, ze keek grimmig voor zich uit, snoof en zei: “Maar waarom zo'n besmettelijk blank gewaad? Dat is zo gauw vuil. En wie moeten daar al die blanke gewaden straks wassen? Wij vrouwen natuurlijk. Al die mannen daar zingen in hun blanke gewaden! En wij maar wassen! Nou, ik hoop wel dat ze daarboven goede Zanussi's hebben, en ik wil dit alvast wel zeggen: ik wil wel wassen maar ik verdom het om al die blanke gewaden te strijken!”