Adviesbureau Drugs: rendement van spuitomruilsysteem is gering; Iedere verslaafde gebruikt wel eens de spuit van een ander

AMSTERDAM, 3 april - Voor het internationaal uitdragen van het Nederlandse spuitomruilsysteem voor drugsgebruikers, zoals op grote schaal gebeurt, is weinig reden. Het rendement van het systeem is gering. Sinds het in 1983 in Amsterdam werd ingevoerd blijkt bijna iedere gebruiker nog altijd wel eens de spuit van een ander te gebruiken.

Dat staat in het rapport AIDS Preventie voor Druggebruikers, dat door het Amsterdamse Adviesburo Drugs is opgesteld voor het ministerie van WVC. In zeven steden (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Groningen, Maastricht en Heerlen) werden de ruilposten doorgelicht en 94 spuiters geenqueteerd.

Spuitomruil door intraveneuze drugsgebruikers (die injecteren in de aderen) wordt voor deze risicogroep als de belangrijkste preventie gezien tegen de verspreiding van het aids-virus (HIV). Andere landen, zoals de Verenigde Staten, tonen grote belangstelling om de epidemie langs deze weg in te dammen. Uit oogpunt van de volksgezondheid is dat van groot belang, omdat het aidsvirus via spuitende drugsverslaafden in heteroseksuele kring wordt gebracht.

Het virus wordt overgebracht door bloed-bloedcontact als gevolg van het gebruik van elkaars spuiten. In de jaren 1982 tot en met 1985 waren alle gemelde aidspatienten in Nederland homoseksueel, nu nog zo'n tachtig procent. De tweede risicogroep bestaat uit spuitende drugsgebruikers. Zij injecteren niet alleen intraveneus maar ook onderhuids: 'skin popping'. De eerste aids-patient uit deze risicogroep werd in 1985 gemeld. Sindsdien is het aandeel van drugsgebruikers snel gestegen tot ongeveer tien procent van het huidige totaal.

De kennis omtrent de gewoonten van spuiters - een eerste vereiste voor het treffen van preventieve maatregelen - is onder hulpverleners echter buitengewoon gering, zo stelt het rapport. Dat blijkt onder meer uit de voorlichting: “Zaken die de spuiters direct raken komen in geen enkele folder aan de orde”.

Het gebruiken van elkaars spuit behoort tot de tradities binnen de 'scene'. Bij mensen die voor het eerst spuiten bijvoorbeeld is het de gewoonte geweest dat “het shot door een ander wordt gezet”. Deze 'leraar' maakt niet alleen het shot voor de 'leerling', maar dient ook driekwart van de dosis bij zichzelf toe. Deze vorm van 'needle sharing' heeft weliswaar op ruime schaal plaatsgemaakt voor het gebruik van 'front loading', maar door andere ontwikkelingen is het gevaar voor besmetting per saldo nauwelijks afgenomen. Bij front loading wordt de opgeloste heroine of cocaine van een lepel via een watje (filter) in een injectiespuit opgezogen. Het gemeenschappelijk gebruik van de attributen komt volgens het onderzoek ook omdat het een bevestiging is van de onderlinge band tussen de gebruikers.

Onderling gebruik komt vooral voor bij de 'arme' junks die zijn aangewezen op het 'straatcircuit'; zij kopen hun drugs niet bij huisdealers en gebruiken niet in gebruikerspanden, maar doen alles op straat. Gebruikers gaan in het algemeen niet graag de deur uit met een spuit en andere attributen op zak, onder meer omdat zij bang zijn door de politie te worden gefouilleerd. Doordat op straat niet altijd spuiten te koop zijn vallen zij vaak terug op het 'uitleencircuit'.

Daarbij wordt het gebruik van andermans gereedschap veelal 'betaald' door het shot te delen.

Uit de enquete blijkt dat spuiters wel voorkeur geven aan het gebruik van een nieuwe spuit - al speelt het besef van het aids-gevaar slechts op de achtergrond - maar dat het vaak onmogelijk is die te bemachtigen omdat de apotheek en de ruilpost dicht zijn “terwijl de dope in m'n handen brandt”. Bij de desperate hunkering naar een shot ('dope-ziek') valt de waakzaamheid tegen aids weg. Ook binnen duurzame relaties worden nog steeds spuiten uitgewisseld. Het 'regelen' van een spuit blijkt bij alle ondervraagden na het verkrijgen van drugs het moeilijkst, ook al is het attribuut door het omruilsysteem geen schaars artikel meer.

Hoewel de meeste ondervraagden gebruik maken van de diensten van spuitomruil blijkt het systeem verre van waterdicht. Omdat de service is opgezet door de drugshulpverlening hebben veel gebruikers de angst zich te moeten verantwoorden. Het komt ook voor dat junks er niet langer komen omdat ze 'geschorst' zijn bij de hulpverlening en dus terugvallen op het 'open circuit'.

Voorts wordt in het rapport opgemerkt dat het epidemiologisch onderzoek van de GG en GD in Amsterdam naar de vraag of junks al dan niet seropositief zijn, averechts kan werken. Gebruikers die weten dat zij seropositief zijn ontbreekt veelal de motivatie om nog langer met onbesmette attributen te werken. Met name in Amsterdam voelen de gebruikers de vele activiteiten van de GG en GD als een bedreiging.

Deelname aan het GG en GD-onderzoek leidt tot uitstoting uit de 'scene'.

Onderzoeker A. de Loor meent wel dat er een afname is van het gemeenschappelijk gebruik. “Er zijn minder jonge mensen die drugs gaan spuiten, gebruikers hebben een breder arsenaal drugs, het aantal 'terugvallers' komt geisoleerd te staan en door de verstrekking van methadon is er minder aanleiding om in groepsverband te opereren. Aan de andere kant zie je meer duurzame relaties onder gebruikers waarbij de alertheid op aidsrisico's verslapt.”

Bovendien bestaan binnen dit circuit vele gevaren, zoals boze buurtbewoners, politie en passanten waardoor gebruikers gedwongen zijn bij elkaar te kruipen om elkaars 'oog en oor' te zijn. Die samenscholingen werken weer haastigheid in de hand, waardoor niet zorgvuldig met spuiten wordt omgegaan.

Volgens De Loor zou het straatcircuit dus overbodig moeten worden gemaakt. Een doordachter politie-optreden is daarbij van groot belang.

Bovendien zou er voor de modale en boven-modale spuiters een mogelijkheid moeten komen hun spuiten gewoon bij de apotheek te kopen, verspreid door de stad of uit een automaat te trekken, die zo is gesitueerd dat ze en gemakkelijk bereikbaar zijn en de klant redelijk anoniem zijn gang laat gaan.

Voor de 'arme' junk zou de spuitomruil moeten worden verbeterd. De Loor pleit daarom voor het invoeren van een zogeheten 'tropendoosje'

waarin de spuiters hygienisch een of twee nieuwe spuiten kunnen bewaren, samen met andere attributen. Door hen te voorzien van een voorraadje spuiten wordt de structurele schaarste bestreden binnen het straatcircuit.

“Het aanschaffen van een nieuwe spuit heeft vele overeenkomsten met het kopen van een condoom”, aldus De Loor. “Bij alle twee speelt taboe, schaamte en de behoefte aan anonimiteit een grote rol. Als je nu kijkt hoe moeizaam de spuitendistributie is geregeld, dan heeft dat vele overeenkomsten met hoe in de jaren vijftig in vieze-boekieswinkeltjes condooms vanonder de toonbank werden verkocht.

Zijn er ook voldoende maatschappelijke krachten aanwezig onder spuiters die voor een normalisering van spuitendistributie kunnen zorgen? Het onderzoek naar het rendement van het aidspreventiebeleid geeft weinig reden tot hoop'', aldus De Loor.