W.C.M. van Lieshout, invloedrijke onderwijskenner; Ook zonder hamer een voorzitter

De universiteiten doen het niet zo goed in de publieke opinie, vinden ze zelf. Met een jaloers oog wordt gekeken naar de hogescholen die er regelmatig in slagen eensgezind en zelfbewust de minister van onderwijs van het lijf te houden en op het verkeerde been te zetten. Voor de Vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten breken er misschien andere tijden aan als W.C.M. van Lieshout er in augustus voorzitter wordt.

De voorzitter van het college van bestuur van de Katholieke Universiteit in Nijmegen, W.C.M. van Lieshout (62), houdt de touwtjes graag in handen. Dat ondervond enkele jaren geleden ook oud-minister Deetman (onderwijs) toen deze in Nijmegen op werkbezoek was. Aan de andere universiteiten kreeg hij altijd de leiding tijdens het gesprek met het bestuur. Van Lieshout hield echter de voorzittershamer vast in handen. De minister keek even wat verstoord, maar schikte zich toen gemakkelijk in deze gang van zaken.

Het is een natuurlijke gang van zaken. Van Lieshout is immers voorzitter. Daarvoor hoeft hij overigens niet altijd zelf de hamer te hanteren. Dat bleek bijvoorbeeld in 1989 toen een delegatie onder leiding van de toenmalige wethouder (en tegenwoordige staatssecretaris) Simons een studiereis door de Verenigde Staten maakte. De wethouder had weliswaar de leiding over de delegatie, maar Van Lieshout leidde haar. Het gaat als vanzelfsprekend, zegt een van de deelnemers. “Hij straalt het uit - mensen merken het zoals bleek in de restaurants waar het personeel hem altijd de wijnkaart gaf.”

Zo'n 45 jaar eerder was dat kennelijk ook al zo. De toen 16-jarige scholier Van Lieshout moest in 1944 in het bevrijde Zuid-Limburg de opvang van gerepatrieerde Nederlanders organiseren. Een karwei dat hij samen met een grote groep mensen, allemaal ouder dan hij, klaarde.

In Nijmegen zelf is de Katholieke Universiteit inmiddels al bijna niet meer zonder Van Lieshout denkbaar. Hij staat er niet op de voorgrond, maar is wel degelijk aanwezig. “Omringd door een eigen hofhouding”, zegt een van zijn ex-medewerkers die, zoals in Nijmegen opvallend vaak wordt bedongen, niet met name genoemd wil worden als Van Lieshout onderwerp van gesprek is. Maar ook in die anonimiteit blijft de kritiek overigens mild. Die komt er in grote lijnen op neer dat de man te nadrukkelijk aanwezig is, zijn collega's en medewerkers wat weinig eigen ruimte laat en hij soms geirriteerd reageert op kritiek op zijn optreden. “Die irritatie kan wel komen doordat hij zich betrapt voelt. Hij poseert zich graag als de 'grand seigneur' - de man van de grote lijnen - terwijl hij zich vaak toch heel gedetailleerd met alles bemoeit. Hij weet ook wel dat dit in veel gevallen niet nodig is, maar hij kan het nu eenmaal soms niet laten”, zegt een lid van de onderwijscommissie van het CDA.

Daar staat zijn aimabele optreden tegenover. Zijn respect voor mensen, zodat sommige mensen tien jaar later nog steeds lyrisch praten over een ontmoeting met hem. Zoals die jonge ambtenaar die eind jaren zeventig op het departement voor minister Pais werkte aan de twee-fasenwet toen daar Van Lieshout op bezoek kwam. “Hij kende mij niet, had ook geen belang bij mij, maar vroeg hoe het met mij ging. Ik voelde dat hij het meende, dat hij daar echt in geinteresseerd was en dat het geen beleefdheidsfrase was.” Van Lieshout straalt ook veel charme uit: vrouwen, of ze secretaresse, uitbater van een goed eethuis of journalist zijn - ze raken op z'n minst onder de indruk.

Van Lieshout 'is' ook een beetje de Katholieke Universiteit. “Hij is als voorzitter van het college van bestuur verantwoordelijk voor de universiteit. Zo voelt hij dat zelf ook heel nadrukkelijk. Maar dat kan wel eens erg belastend zijn voor mensen die ook een eigen verantwoordelijkheid hebben, ook binnen het college van bestuur”, zegt een van zijn oud-collegabestuurders die er overigens aan toevoegt dat er wel degelijk collegiaal wordt bestuurd. “Maar met Van Lieshout als voorzitter - en dat is net iets meer dan als primus inter pares.”

Prof. Burgersdijk, halverwege de jaren tachtig lid van het college van bestuur, antwoordt in KU Nieuws, het weekblad van de universiteit, op de vraag of hij niet wordt 'ondergesneeuwd' door Van Lieshout ontkennend. “Natuurlijk ben ik gewaarschuwd voor het autoritaire karakter van de voorzitter. Hij is echter niet autoritair, hij heeft wel een fe-no-menale kennis. Ik sta er versteld van hoeveel bits hij in zijn geheugen heeft.”

De Vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten (VSNU) krijgt, als Van Lieshout er op 15 augustus de leiding over neemt, niet alleen een krachtige en invloedrijke, maar ook een uitstekend in het onderwijs 'ingevoerde' voorzitter. Iemand die al meer dan dertig jaar voor en achter de schermen een belangrijke rol speelt in het Nederlandse (hoger) onderwijs. Zijn uitstekend ontwikkelde politieke gevoel en zijn grote kennis van het onderwijs, onder meer tot uiting komende in vele tientallen publikaties, vormden daarvoor de basis.

Zijn partijkeuze (eerst KVP, daarna CDA) vervult daarbij overigens een niet te verwaarlozen rol.

Een carriere in het onderwijs lag voor Van Lieshout niet voor de hand, dat hij het ver zou schoppen had de hoofdonderwijzer op de lagere school (voor de hogere stand) op zijn eindrapport al aangekondigd. Als oudste van drie kinderen (jongens) groeide hij in Maastricht op in een ruimdenkend gezin. Zijn ouders (vader was gemeente-ambtenaar) brachten de kinderen de geneugten van een ingetogen Bourgondische levensstijl bij.

De liberaal-katholieke vader zond de latere ijveraar voor het katholiek onderwijs naar het gemeentelijk lyceum in plaats van naar de voor de hand liggende katholieke middelbare school. Van Lieshout studeerde vervolgens werktuigbouwkunde aan de HTS in Heerlen en ging werken bij DSM. Daar merkte hij dat hij ook nog wat moest weten van fysische chemie en studeerde in Aken aan de Technische Hochschule verder. Tijdens deze vervolgstudie deed hij zijn intrede in het 'onderwijs-circuit' toen hij werd benoemd tot directeur van het Katholiek Pedagogisch Bureau voor het beroepsonderwijs. Vier jaar later, in 1961, werd hij directeur van de HTS in Eindhoven. Op 1 januari 1974 begon Van Lieshout in Nijmegen. Hij was toen al bijna klaar met de oprichting van de HBO-Raad.

Zijn komst naar Nijmegen was omstreden. De universiteitsraad had over hem zijn veto uitgesproken. Van Lieshout had immers kort daarvoor op het ministerie de adviescommissie geleid die met de toen bestreden 'mcKinseyplanning' op de proppen kwam. Dat Van Lieshout toch in Nijmegen werd benoemd dankte hij aan zijn partijgenoot (en voorzitter van het stichtingsbestuur en latere commissaris van de koningin in Limburg) Kremers. Ook dat was een grief van de raad. De raad meende - niet ten onrechte overigens - dat de benoeming van Van Lieshout hoorde bij het machtsspel van de KVP om overal greep op te houden.

Van Lieshout: “Ik heb lang over die baan nagedacht. Pas toen Kremers voor de derde keer langs kwam heb ik ja gezegd. Maar toen was ik ook vastbesloten.” De universiteitsraad was derhalve kansloos, maar het tekent Van Lieshout dat hij daarna naar Nijmegen kwam om met de raad over zijn benoeming te praten.

Het was niet de eerste en zou ook niet de laatste keer zijn dat zijn benoeming ergens rumoer veroorzaakte. Hij is er aan gewend. Toen hij in Nijmegen aantrad vervulde hij ook nog eens 38 andere bestuursfuncties. Dat zijn er nu wel wat minder, maar het blijven er toch nog een respectabel aantal. Een kleine greep: Van Lieshout zit in het bestuur van de Stichting Leerplan Ontwikkeling, de hogeschool Gelderland, de redactieraad van 'CD Verkenningen' van het CDA, de Stichting Onderwijsdebat, de onderwijscommissie van het CDA, de commissie onderwijszaken van de SER en zijn parochie in Mook.

Halverwege de jaren zestig wordt Van Lieshout voor de eerste keer genoemd als een potentiele minister van onderwijs. Sinds die tijd komt hij steevast voor op de kandidatenlijstjes die in de media verschijnen als er weer een kabinet in elkaar moet worden gezet. In 1987 duikt zijn naam op als kandidaat voor het voorzitterschap van de NOS. NRC Handelsblad meldt dat hij “naar verwachting binnenkort door minister Brinkman (WVC) wordt benoemd”. In het KU Nieuws laat hij enkele dagen later weten “dat de minister het kennelijk nog te prematuur heeft gevonden contact op te nemen met de mensen die op zijn lijstje staan”. Om er wat boos aan toe te voegen “dat hij het wel zeer prettig zou vinden dat, als de minister hem daadwerkelijk zou willen benoemen, hij daarvan tevoren op de hoogte wordt gebracht”. Want het moge duidelijk zijn: hij maakt steeds zijn eigen afwegingen. Geen functie accepteert hij zo maar. Hij heeft ook nog nooit een sollicitatiebrief geschreven, zegt hij. “Dat is niet iets om trots op te zijn. Het gebeurt. Ik dank het denk ik aan mijn gelukkige jeugd waar de basis is gelegd.”

Het onderwijs heeft voor Van Lieshout vrijwel geen geheimen meer. In de verschillende functies kwam hij in alle sectoren en uithoeken van het Nederlandse onderwijsbestel. Hij voelt zich dan ook intens betrokken bij het onderwijs en hij maakt er zich zorgen over. Zijn bezorgdheid geldt de ongelijkheid die er kennelijk in gebakken is en die voorkomt dat kinderen dat onderwijs krijgen waarin ze zich het beste kunnen ontplooien. “Pas als een bankwerker dezelfde maatschappelijke waardering krijgt als een hoogleraar zullen kinderen het onderwijs volgen dat het beste bij ze past. Dan wordt het beroepsonderwijs op zijn juiste waarde geschat en komt er een einde aan een ongelijkheid die we, hoewel we de naam hebben egalitair te zijn, zo nadrukkelijk koesteren.”

Hij is met de hoogleraren Van Gelderen en Velema de geestelijke vader van de middenschool, waarvoor hij het concept al in de jaren zestig ontwikkelt. Van Lieshout bewaakt de belangen van het bijzonder onderwijs alert, maar hij vindt daarbij dat de scholen ook daadwerkelijk hun bijzondere karakter moeten waarmaken. Hij vreest dat anders er al het bijzonder onderwijs schade van ondervindt. Het bestaan van een katholieke mafia wordt door Van Lieshout ontkend. Hij maakt er in elk geval geen deel van uit want hij speelt het spel open.

De voorzitter zou het ook niet nodig hebben om onder tafel zijn zaken te regelen. “Of hij dat vroeger wel heeft gedaan? Ik sluit dat niet uit - maar zijn invloed en gezag is inmiddels zo groot dat hij alles open en straight kan regelen”, zegt het CDA-commissielid. Van Lieshout zelf: “Ik heb geleerd dat je open en controleerbaar zaken moet doen. Argumenten horen te tellen. Geen gedoe in achterkamertjes, geen vriendjespolitiek. Dat levert je misschien incidenteel wat voordeel op. De volgende keer ga je onherroepelijk op je neus.”

De beslissing om van Nijmegen over te stappen naar de VSNU was voor Van Lieshout niet eenvoudig. Hij was in Nijmegen zeker nog niet uitgekeken, al sloeg de routine wel toe. Het leidde in de laatste jaren tot enkele 'bedrijfsongevallen' en van de universiteitsraad kreeg hij een milde motie van afkeuring aan de broek.

Van Lieshout was in 1985 ook enige tijd in de markt voort het voorzitterschap van de VSNU. Hij was toen binnen verscheidene colleges nogal omstreden (Van Lieshout had, net als eerder bij de HBO-Raad, het advies geschreven dat tot de VSNU leidde en dat had tot forse discussie geleid) en bovendien “ben ik te ongeduldig voor zo'n eerste periode waarin alles voorzichtig moet worden opgebouwd” - zoals hij nu zegt.

De VSNU wil en moet zich krachtiger gaan manifesteren. De onvrede over de manier waarop de Vereniging thans opereert is groot. “Gelukkig is gebleken dat alle colleges er van overtuigd zijn dat er iets moet veranderen - al zijn ze het zeer oneens over de veranderingen zelf.”

En, met een sluw lachje: “Anders was ik er geen voorzitter geworden.”

    • Quirien van Koolwijk