Van den Broeks Europa-politiek: zwalkend en onrealistisch

Nederland, althans minister Van den Broek, is tegen een Europees defensiebeleid. Dat is de conclusie die inmiddels door de argeloze buitenwacht is getrokken. De minister verzet zich echter tegen deze beeldvorming. “Ik ben in tegenstelling tot wat sommigen suggereren” , zo zegt hij in een vraaggesprek met deze krant (19 maart), “absoluut geen tegenstander van versterking van de Europese veiligheidsidentiteit”.

Maar zetten we alle bezwaren die de minister de afgelopen weken naar voren heeft gebracht op een rijtje, dan wordt die beeldvorming eerder bevestigd dan genuanceerd. Van den Broek heeft inmiddels een drietal argumenten in stelling gebracht tegen de opwaardering van de West-Europese Unie (WEU) en de Europese Raad, zoals bepleit door de 'Frans-Duits-Britse troika'.

Eerst was daar het pleidooi voor het communautaire (supranationale) Europa. Een dag nadat het Frans-Duitse voorstel over de rol van de Europese Raad op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid bekend werd, zette Van den Broek op het politiek congres van de Europese Beweging zijn tegenoffensief in.

Nederland was tegen deze versterking van het intergouvernementele karakter van de Europese samenwerking. Het Europese buitenlandse beleid moest uit de - intergouvernementele - Europese politieke samenwerking (EPS) worden getild en opgenomen in de - communautaire - EG, met mede-initiatiefrecht voor de Europese Commissie en met (gekwalificeerde) meerderheidsbesluitvorming in de Raad van ministers.

Op deze wijze zou ook sprake kunnen zijn van een grotere controle door het Europees Parlement, en zou dus het zogenoemde 'democratisch deficit' (de situatie waarin Europees beleid door geen enkel parlement, nationaal of Europees, meer kan worden gecontroleerd) worden verminderd.

Hoe juist dit in zijn algemeenheid ook moge zijn, een argument tegen het onderbrengen van de WEU bij de Europese Raad is het in elk geval niet. De samenwerking in WEU-verband is nu immers ook intergouvernementeel; dat wordt niet meer als de WEU bij de Europese Raad wordt ondergebracht. De zorg van Van den Broek over de parlementaire controle is roerend, maar niet erg geloofwaardig.

Nederland is in de Intergouvernementele Conferentie over de Politieke Unie helemaal niet zo'n vriend van het Europese Parlement als de minister het wil doen voorkomen. Zo heeft Nederland zich niet gesteld achter de eis van het Europese parlement over volledig medebeslissingsrecht, waarbij alle wetgevende besluiten gezamenlijk door Parlement en Raad van Ministers zouden worden genomen. Volgens Nederland zou hierdoor 'het evenwicht' tussen de instellingen van de EG worden verstoord.

Het tweede bezwaar werd aangereikt door de Amerikanen. Toen het State Department haar ongerustheid begon te ventileren over de Europese blokvorming, wierp Van den Broek zich meteen op als de pleitbezorger van het Amerikaanse standpunt. Terwijl de 'Europeanen' pogingen ondernamen de Amerikaanse zorgen te verlichten zo niet weg te nemen, stookte Van den Broek het vuurtje op. De samenwerking binnen de Navo mag niet ondermijnd worden, echode Van den Broek. Opmerkelijk was het wel.

ATLANTISCHE NOODZAAK

Al sinds jaar en dag wordt de beoogde versterking van de Europese zuil uitdrukkelijk opgevat als middel om de Atlantische alliantie aan te passen en te versterken. Sterker: Europese defensiesamenwerking werd beschouwd als een Atlantische noodzaak. Ofwel: het is niet of-of-, maar en-en. Aangezien dat ook jaren achtereen het Nederlandse standpunt was, maakte Van den Broek een forse ommezwaai.

Daarmee keerde hij zich echter ook tegen het eerste bezwaar inzake de intergouvernementele samenwerking, - en dat leek hij pas in tweede instantie te beseffen. Juist bij intergouvernementele veiligheidssamenwerking is het risico van blokvorming het kleinst en bij communautarisering het grootst. En dus zocht Van den Broek naar een nieuwe uitweg. Communautarisering van het buitenlands beleid mag wel, moet zelfs, maar het defensiebeleid mag slechts op intergouvernementele basis gestalte krijgen. Voor wat betreft het defensiebeleid, slaat de slinger nu dus weer door naar het andere uiterste. “De Nederlandse regering”, zo liet hij de Tweede Kamer weten, “voelt niets voor een meerderheidsbesluitvorming in de bestaande EPS, in tegenstelling tot Duitsland en Frankrijk.” Van den Broeks principiele pleidooi voor communautarisering komt daarmee in een wel heel vreemd daglicht te staan.

Uitgerekend op het moment dat verwacht werd dat hij zou inbinden, liet Van den Broek tijdens het meest recente overleg met zijn collega's in Luxemburg een nieuwe proefballon op. De WEU zou een soort tehuis kunnen worden voor de in veiligheidspolitiek opzicht dakloos geworden Oosteuropese landen. Met name Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije zouden zich bij de WEU moeten kunnen aansluiten. Over de precieze vorm (lidmaatschap of associatie) denkt de minister nog na. “Maar ik sluit niets uit, ook het lidmaatschap niet”. Het is een suggestie die ons erg aanspreekt en die door D66 ook al eerder is uitgedragen.

Tijdens de vorig jaar juni door D66 georganiseerde Oost-Westconferentie heeft Van Mierlo deze gedachte uiteengezet.

Aangezien de geleidelijke uitbreiding van de Navo op bezwaren van Moskou stuit, vroeg hij zich af of de historisch 'niet-besmette' WEU te benutten valt als de structuur van een nieuwe pan-Europees veiligheidstelsel. Dat zou dan geen Westeuropese Unie worden, maar een Europese Unie. Ondertussen zouden de bestaande militaire samenwerkingsverbanden en overlegorganen (NAVO, CVSE) gehandhaafd blijven. Destijds bleef een reactie van de kant van de minister achterwege. Inmiddels is de Europese context danig gewijzigd en heeft het idee aan realiteitswaarde ingeboet, maar uitgerekend op dit moment komt hij erop terug. Alweer een wending die niet met inhoudelijke motieven te verklaren valt en die kennelijk louter voortkomt uit Van den Broeks primaire behoefte de Frans-Duitse plannen te dwarsbomen.

Alles bij elkaar genomen ontstaat het beeld van een zwalkende minister. Van den Broeks Europa-politiek is niet consistent (waar beurtelings de intergouvernementele dan wel de communautaire aanpak wordt bepleit) en, wat misschien nog erger is, niet realistisch (waar hij meent dat Nederland het tegen de rest van Europa kan opnemen).

Over enige maanden moet Nederland het EG-voorzitterschap overnemen. Hopelijk heeft de minister tegen die tijd zijn gedachten geordend.

Wellicht wil hij de volgende suggesties in zijn voorbereiding betrekken.

VOORWAARTS

Van den Broeks voorstel de economische en politieke aspecten van het buitenlandse beleid van de EG (Midden-Oosten, Latijns-Amerika, Oost-Europa en de Sovjet-Unie) volledig communautair te maken, lijkt ons een reeel uitgangspunt. Dat is tenminste een duidelijke stap voorwaarts in vergelijking met de huidige situatie. Maar dat betekent dan dus wel dat het verzet tegen meerderheidsbesluitvorming in de EPS moet worden gestaakt.

De veiligheids- en defensiesamenwerking moet voorlopig een intergouvernementeel karakter blijven dragen. De Europese Raad zou dan de grote lijnen kunnen uitzetten. Ook dat zou een stap voorwaarts zijn. Dit laatste zou overigens niet per se hoeven te betekenen dat de WEU als het ware onder de Europese Raad geschoven wordt. Het is tenslotte ook mogelijk de noodzakelijke bepalingen over militaire samenwerking, die toch niet los te zien zijn van andere aspecten van het veiligheidsbeleid, in het EG-verdag op te nemen.

In dat geval zou de WEU als zelfstandige organisatie, zij het in aangepaste vorm, kunnen blijven bestaan. Eerst nog als 'interim-organisatie' voor Europese veiligheidssamenwerking (zolang de nodige verdragswijzigingen nog niet zijn geeffectueerd), en vervolgens, conform de suggestie van Van Mierlo c.q. Van den Broek, als 'half-way house' voor Oosteuropese landen als Hongarije, Tsjechoslowakije en Polen, zolang deze landen nog geen deel uitmaken van de EG. Het voordeel is dan dat deze landen betrokken worden bij de formulering van een Europees veiligheidsbeleid, waardoor zij bij een eventuele latere toetreding tot de EG niet geconfronteerd worden met faits accomplis waar zij part noch deel aan hebben gehad.