Saddam pleegt genocide met zegen van het Westen

Toen Abubakr, naakt en geblinddoekt, naar de martelkamer werd gebracht, vroeg een van de agenten van de geheime dienst hem: “Glaasje thee of flesje cola”? Zonder te weten waarom, mompelde Abubakr cola. Direct daarop wist hij waarvoor hij had gekozen: een grote colafles werd met geweld in zijn anus geperst. Later hoorde hij van mede-gevangenen dat als hij voor thee had gekozen, hij de scherven van een glas had moeten opeten.

Abubakr had nog meer geluk. Toen de Amerikaanse oorlogsmachine de stad Nasseriya was genaderd en het Iraakse leger had verpletterd, kwamen de inwoners van de steden in Zuid-Irak in opstand en bevrijdden de politieke gevangenen. Wonder boven wonder had Abubakr de 'behandeling'

overleefd; weliswaar heeft hij nog steeds verschrikkelijke pijn en zal hij waarschijnlijk voor altijd impotent blijven, maar hij kan navertellen wat hem is overkomen.

Misschien is het beter te zeggen: hij kon het drie weken geleden navertellen, toen hij bij een Amerikaanse eenheid aan de grens met Koeweit werd afgezet. Want omdat hij zich zorgen maakte over zijn achtergebleven familie in Nasseriya en omdat de Amerikanen hem vertelden dat zij hem niet verder konden helpen, ging hij terug.

Dat had hij beter niet kunnen doen. Saddams trouwste volgelingen in de Republikeinse Garde maakten kort daarna in het door hen terugveroverde gebied alle jongens en mannen af tussen de l5 en 55 jaar die zij tegenkwamen. Voordien hadden zij al vrouwen en kinderen als 'levende schilden' aan de lopen van de oprukkende tanks vastgebonden en hadden hun helikopters de bevolking met napalm, fosfor en diverse bijtende zuren gebombardeerd. Gifgassen hadden zij ditmaal niet gebruikt omdat de Amerikanen hun dat uitdrukkelijk hadden verboden.

Volgens vluchtelingen uit Nasseriya verkrachtten Saddams manschappen in het ziekenhuis van de stad wel de aanwezige verpleegsters en sneden hun de borsten af, voordat zij hen doodden. Andere bewoners van de stad - mannen, vrouwen en kinderen - werden samengedreven en in huizen opgesloten, die vervolgens door tankgeschut en artillerie met de grond werden gelijk gemaakt. Dat gebeurde praktisch voor de ogen van de Amerikaanse bezettingstroepen in het zuiden van Irak.

Tegen het opstandige Koerdistan in het noorden van het land waren Saddams wraakacties zo mogelijk nog gruwelijker. Nabij Kirkuk werd een heel dorp uitgemoord. Duizenden jonge mannen zijn meegenomen. Over hun lot bestaan weinig twijfels: in het verleden heeft Saddams overheid reeds tienduizenden Koerden laten 'verdwijnen' - afgezien van de duizenden die hij liet vergassen.

Als gevolg van de massale moord-acties zijn thans vele honderdduizenden Koerden op de vlucht geslagen - op weg naar de bergen, waar hun geen onderdak en geen voeding, maar slechts nieuwe bombardementen wachten. Het ogenblik, waarop die bombardementen massaal zullen worden uitgevoerd, komt snel naderbij. Want zodra de Veiligheidsraad van de VN de nieuwe resolutie tegen Irak heeft aangenomen, mag - zo heeft Washington al laten weten - Saddam vrijelijk beschikken over zijn vliegtuigen. Daartegen is, evenmin als tegen de tanks en de gepantserde helikopters van de Republikeinse Garde geen enkele verdediging mogelijk: want de Koerden beschikken slechts over lichte wapens.

NIETS BIJZONDERS

Wat de shi'ieten en de Koerden overkomt, is niets bijzonders voor het Irak van Saddam Hussein. Vele duizenden Irakezen, later gevolgd door duizenden gevangen genomen Iraniers en gekidnapte Koeweiti's, hebben in de afgelopen 23 jaar kennis gemaakt met de martel- en moordpraktijken die onder Saddams heerschappij normaal werden; zij zorgden ervoor dat zijn bewind een van de stabielste in het Midden-Oosten werd. Uiteindelijk durfde niemand in Irak meer een eigen gedachte te koesteren, laat staan zich tegen Saddam en diens Ba'athpartij te keren. Wie het wel waagde, wist dat zijn overlevingskansen vrijwel nihil waren en dat zijn dood gruwelijk zou zijn.

Daarom kwam de Iraakse bevolking een paar weken geleden in opstand, na de verpletterende nederlaag die het Iraakse leger tegen de geallieerden had geleden. Het gewapend verzet tegen de Ba'ath-terreur werd mede geinstigeerd door de oproepen van president Bush aan de Irakezen om een einde te maken aan het bewind van Saddam. Dan zou Irak opnieuw een geaccepteerd lid van de internationale gemeenschap der volkeren kunnen worden.

Als eersten volgden de shi'ieten in het zuiden van het land het advies op van president Bush. Zij werden geholpen door Iraakse krijgsgevangenen die na afloop van de Golfoorlog in Iran waren achtergebleven omdat zij geweigerd hadden weer naar de tirannie van Saddam terug te keren.

Vervolgens kwamen de Koerden in het noorden in opstand. Maar het waren ditmaal niet de Koerdische guerrillastrijders (de pesh merga) van de politiek georienteerde organisaties die Saddams troepen ontwapenden.

De pesh merga waren de afgelopen twee-en-een-half jaar door Saddams ruime gebruik van gifgassen niet langer in staat geweest hun guerrilla-oorlog verder te voeren. Tot ieders verbazing bleken thans de Koerdische huurlingen (de jash), die noodgedwongen dienst hadden genomen in het Iraakse leger omdat zij en hun families anders van honger zouden omkomen, niet langer van plan voor Saddam te vechten.

Zij stelden zich in dienst van de pesh merga. En zij niet alleen: vele tienduizenden militairen van het Iraakse volksleger, van wie de meesten sunnieten, besloten eveneens de wapens neer te gooien en niet langer ten behoeve van Saddam te moorden.

MEERDERHEID

De shi'ieten en de Koerden (volgens zeer conservatieve schattingen: respectievelijk 55 procent en 20 procent van de totale bevolking) vormen samen de absolute meerderheid van de Iraakse bevolking. De sunnieten, die traditioneel de leiding in het land hebben, maken daarentegen slechts 20 procent uit van de bevolking.

Maar zelfs het sunnitische deel van Irak staat niet in zijn geheel achter Saddam. De communisten, de nasseristen, de Ba'athisten die trouw zijn aan Syrie, alsmede vele liberalen en fundamentalisten willen niets met Saddams regime te maken hebben. Zij en diverse christelijke groeperingen hebben zich verbonden met de shi'itische groepen en de Koerden.

Niettemin is het volgens de Westelijke wereld (de VS en hun bondgenoten) en volgens de Arabische wereld (Saoedi-Arabie en Egypte) heel slecht om de shi'itisch-Koerdische opstand ook maar enigszins te steunen. President Bush heeft herhaaldelijk gezegd dat de beste oplossing voor Irak is “de Irakezen zelf hun leiders te laten kiezen”. Maar wie dacht dat Bush bedoelde wat hij zei, vergiste zich.

Hij bedoelde slechts dat de Iraakse bevolking haar leiders juist niet moet kiezen. Haar leiders dienen - zo hebben hem zijn adviseurs verteld - bij gebrek aan andere opties uitsluitend afkomstig te zijn uit de sunnitische laag, de kleinste minderheid dus van de bevolking.

Want als de Iraakse shi'ieten (die onderling verdeeld en beslist niet allemaal voor een islamitische Godsstaat op aarde zijn) ook maar enige macht krijgen, zou dat de Arabische bondgenoten van het Westen (Saoedi-Arabie en Egypte) uiterst verontrusten. Zij zouden - zo is Bush verteld - het gevoel hebben dat de Islamitische Republiek Iran alsnog de Golfoorlog heeft gewonnen.

Voor de Koerden geldt hetzelfde principe. Als zij te veel inspraak krijgen, zou NAVO-bondgenoot Turkije (die zo veel te stellen heeft met zijn eigen Koerdische minderheid: circa een kwart van de Turkse bevolking) in grote zorg geraken.

Daarom zijn - aldus de onuitgesproken, maar niet minder vastberaden politiek van het Westen - alle, letterlijk alle middelen toegestaan om ervoor te zorgen dat Irak niet onder shi'itische en-of Koerdische leiding komt, maar onder sunnitische leiding. Dat zou garanderen dat Irak niet dezelfde kant opgaat als Libanon, dat wil zeggen uiteenvalt in elkaar bestrijdende stukken die door de buurstaten worden geholpen.

Dat sunnitische bestuur kan - zoals de zaken er nu voorstaan in het politiek doodgebloede Irak, waar Saddam alle politieke alternatieven heeft geliquideerd - uitsluitend worden overgenomen door een legergeneraal of door een van Saddams metgezellen uit de Ba'athpartij.

Maar die leider heeft zich niet of nog niet aangediend. Daarom vinden de geallieerden het veel beter om Saddam te steunen dan de shi'ieten of de Koerden. Waarom? Omdat Saddam niet langer een gevaar vormt voor zijn buren, maar uitsluitend voor zijn eigen volk. Hij is niet langer een de-stabiliserende factor in de regio.

Daarom kon de Arabische Liga, ondanks alle verklaarde vijandschap van de Golf-Arabieren en Egypte tegen Saddam, zaterdag rustig in Kairo bijeenkomen met een vertegenwoordiger van Saddam. Uiteraard werd de door de Iraakse oppositie gevraagde vertegenwoordiging geweigerd.

Daarom ook hebben de Saoedische media van koning Fahd het bevel gekregen om de Iraakse dictator niet langer te beledigen. In ruil hebben de Iraakse media hun scheldcampagne tegen koning Fahd gestaakt.

. STABILITEIT

Jarenlang hebben het Westen en de Arabische wereld in naam van de stabiliteit in de Golf-regio Saddam Hussein en zijn kliek alle mogelijke hulp geboden. Al hun misdaden hebben zij in naam van deze stabiliteit gesteund, goedgekeurd, dan wel goed gepraat.

Pas toen Saddam over de schreef ging en met zijn bezetting van heel Koeweit een bedreiging vormde voor Saoedi-Arabie en de Westerse olie-belangen, ontdekten het Westen en zijn Arabische bondgenoten dat Saddam een levensgevaarlijke schurk was, aan wie grenzen moesten worden gesteld.

Nu de militaire operatie Desert Storm die grenzen heeft gesteld, mag Saddam opnieuw ongestraft moorden. President Bush beroept zich op de internationale legitimiteit, op de resoluties van de VN, die hem niet het recht zouden geven na de bevrijding van Koeweit ook Irak te bevrijden. Hij zegt er niet bij dat zijn land een van de belangrijkste instigators was van deze resoluties en dat het natuurlijk heel goed mogelijk is om via een nieuwe Veiligheidsraadresolutie Saddam het uitmoorden van zijn eigen volk te verbieden.

Er zit bovendien een klein denkfoutje in de geallieerde analyse. Je kunt niet ongestraft de bevolking van een land als Irak laten uitmoorden ter wille van een denkbeeldige stabiliteit, zonder dat zulks op de lange duur ernstige politieke gevolgen heeft, die juist de instabiliteit van het gebied vergroten. Bovendien wordt het nobele streven Koeweit te bevrijden in het belang van een betere wereldorde door de thans gevolgde non-interventie-politiek er niet geloofwaardiger door.

De politiek van de anti-Saddam-coalitie, die nu opnieuw in een pro-Saddam-coalitie lijkt te zijn veranderd, is even begrijpelijk en logisch als wanneer de geallieerden aan het eind van de Tweede Wereldoorlog hadden toegestaan dat de nazi's in het verslagen Duitsland verder zouden regeren. Geen politicus zou toen zo iets hebben voorgesteld.

Maar tegenover Irak voeren de geallieerden wel zo'n politiek. Thans blijkt dat het Westen het niet echt belangrijk vindt dat Arabieren, Koerden of Perzen een zelfde menswaardig bestaan hebben als Westerlingen. Hoofdzaak is dat hun samenlevingen een minimale stabiliteit vertonen en dat de gevestigde orde gehandhaafd blijft.

Ook in de Duitse concentratiekampen en in Stalins Goelag-archipel heersten orde en stabiliteit. Er bestond daar de rangorde tussen hen die ongestraft moordden en hen die in stilte werden vermoord. In Saddams Irak dreigt nu een zelfde orde en stabiliteit te ontstaan - met de zegen van zowel de Arabische wereld als die van het Westen.

Als de genocide in Irak is voltooid, als Saddam niet meer nodig is als instrument voor Westerse belangen, zullen ook wij kunnen zeggen: “Tragisch wat er met de Koerden is gebeurd. Jammer dat we het niet eerder wisten”.