Requiem voor het centraal overleg

Is het tijd om een requiem-mis op te dragen aan het overleg op centraal niveau tussen kabinet en sociale partners? Een dergelijke ceremonie zou niet ongepast zijn, omdat de voor- en najaarssessies al vaak met een ritueel zijn vergeleken. De vraag is of het centraal overleg al werkelijk op instorten staat nu de centrale werkgeversorganisaties hebben besloten voorlopig niet meer mee te doen.

Hoewel er nog niet onmiddellijk aanleiding is de stap van de werkgevers te dramatiseren sprak prof. Wolfson, kroonlid van de Sociaal-Economische Raad, van 'vaandelvlucht' en verweet hij de werkgevers de parlementaire democratie niet serieus genoeg te nemen.

Minister De Vries van sociale zaken en werkgelegenheid suggereerde dat de werkgevers bezig waren met een polarisatie-strategie.

Het lijken allemaal nogal zwaren woorden. Toch valt er een historische parallel te trekken die te denken kan geven. In 1970 besloten de vakcentrales NVV en NKV het loonoverleg in de Stichting van de Arbeid en de SER te boycotten uit protest tegen de op grond van de pas ingevoerde Loonwet getroffen loonmaatregel.

De werkgevers schorten nu hun deelneming aan het overleg op omdat zij de in de 'Tussenbalans' aangekondigde plannen van het kabinet beschouwen als een breuk met het in 1989 door kabinet en sociale partners afgesloten gemeenschappelijk beleidskader. Hun voornaamste bezwaar is de dreiging met het heffen van strafpremies als de sociale partners zich niet houden aan de door het kabinet gestelde norm voor de loonontwikkeling.

Minister De Vries heeft in een vraaggesprek met het NCW-blad De Werkgever zijn teleurstelling over de opstelling van de werkgevers niet onder stoelen of banken gestoken. Zo vraagt hij zich af wat de winst voor het geheel zal zijn als de middelpuntvliedende krachten inderdaad de overhand krijgen. Hij laat ook een duidelijke waarschuwing horen. 'Als we in een situatie terecht komen waarin er weinig mogelijkheden zijn om via consensus de problemen aan te pakken, dan zal de overheid naar het middel moeten grijpen waarvoor ze het alleenrecht heeft: wetgeving'.

De werkgevers mogen dan wel betogen dat hun besluit is ingegeven door louter pragmatische overwegingen, de fundamenten van onze overlegdemocratie worden ondergraven wanneer een van de sociale partners het voor gezien houdt, ook al is dat maar tijdelijk.

De brief van de werkgevers aan het kabinet is wel degelijk bedoeld als protest tegen de breuk met het sinds 1982 ontwikkelde en in het gemeenschappelijk beleidskader herbevestigde model van samenwerking tussen overheid en sociale partners. Dit model berust op vrije, gedecentraliseerde onderhandelingen. Door de terugval op een vorm van geleide loonpolitiek dreigt het nu te worden losgelaten.

De werkgevers hebben nooit veel gezien in afspraken op centraal niveau. Het model dat ooit de vroegere voorzitter van de SER, dr. J.W.

de Pous, voor ogen stond, viel bij hen niet in goede aarde. Toch is de later wel door alle partijen aanvaarde systematiek van het voor- en najaarsoverleg nog een reminiscentie aan diens idee van een 'maatschappelijk kaderconvenant.' De Pous beval destijds een nieuwe overlegstructuur aan op drie niveaus: het macro-, meso- en micro-niveau. Op het macro-niveau diende de overheid jaarlijks in overleg te treden met het georganiseerde bedrijfsleven om te komen tot een afstemming van haar beleidsvoornemens op middellange termijn. Een jaarlijks bij te stellen indicatieve planning voor een termijn van vier a vijf jaar zou de grondslagen kunnen leggen voor een meerjarenplanning van het arbeidsvoorwaardenbeleid. Door een juiste fasering van de besluitvorming via het overleg op centraal niveau en de parlementaire behandeling zou een betere afstemming van het sociaal-economische en het begrotingsbeleid mogelijk worden gemaakt.

De praktijk heeft geleerd dat van een dergelijke schematische overlegstructuur geen al te hoog gespannen verwachtingen mogen worden gekoesterd. Er wordt al lang niet meer gedacht in termen van kwantitatieve richtlijnen. Het 'gemeenschappelijk beleidskader' van 1989 was een vrijblijvende leidraad voor de CAO-onderhandelingen op decentraal niveau.

Sommigen vinden dat niet meer voldoende. De oud-minister van sociale zaken Albeda, en de hoogleraar sociaal-economisch beleid A.P. van Veen pleitten een jaar geleden in het economenvakblad Economisch-Statistische Berichten voor een centraal akkoord met duidelijke kwantitatieve doelstellingen voor de loon- en werkgelegenheidsontwikkeling. In zo'n akkoord zou de regering kunnen aangeven bij welke procentuele loonstijging de gewenste werkgelegenheidsontwikkeling of de gewenste koppeling in gevaar komt.

Dit is de weg die het kabinet heeft gekozen. In hetzelfde blad stelden twee beleidsmedewerkers van de vakcentrale FNV, C. Inja en C. Sips, een nieuw model voor het centraal overleg voor de jaren negentig voor. Dat model zou moeten berusten op een coalitie tussen overheid en vakbeweging. Daar de werkgevers toch niet willen meedoen zou de vakbeweging op centraal niveau met de overheid een twee-partijen-afspraak moeten maken. In zo'n afspraak zouden geregeld moeten worden: de ontwikkeling van de lonen, de handhaving van de koppeling en de parallelle inkomensontwikkeling, het 'maatschappelijk benutten' van de financiele ruimte in de economie door lastenverhoging en winstafroming en een bijdrage van de overheid aan het werkgelegenheidsbeleid. Laten we het er maar op houden dat deze beschouwing een intellectueel uitstapje was van twee vakbondsfunctionarissen.

Het besluit van de werkgeversorganisaties om hun deelneming aan het centraal overleg op te schorten mag dan niet polariserend zijn bedoeld, het legt wel een fundamenteel meningsverschil bloot over de betekenis die aan de overlegdemocratie moet worden toegekend. Het centraal overleg is nog niet overleden, maar of het in zijn tegenwoordige vorm overlevingskansen heeft in de jaren negentig wordt steeds twijfelachtiger.