Personeel staakt tegen verhuizing BAT Nederland

AMSTERDAM, 2 APRIL. Het personeel van de Amsterdamse sigarettenfabriek BAT Nederland heeft vanochtend het werk neergelegd, waarschijnlijk voor een dag. De werknemers willen met de actie voorkomen dat de produktie van sigaretten in Amsterdam wordt overgeheveld naar een BAT-vestiging in Brussel. De voorgenomen reorganisatie in Amsterdam zou 123 van de 226 arbeidsplaatsen kosten.

De staking is het voorlopige hoogtepunt in een anderhalf jaar durend gevecht tussen directie en ondernemingsraad van de fabriek. De directie wil met de sluiting van de fabriek in Amsterdam een besparing van ongeveer tien miljoen gulden bereiken. Het personeel in Amsterdam vindt het ongehoord een winstgevende onderneming - winst 1990 13,3 miljoen gulden - met verlies van arbeidsplaatsen te reorganiseren.

BAT Nederland maakt deel uit van het Britse concern BAT Industries. In november 1989 al constateerde de concerncentrale in Groot-Brittannie dat de verschillende BAT-fabrieken in Europa te klein zijn om de toekomstige sanering van de sigarettenmarkt te overleven. Het EG-initiatief “Europa tegen kanker”, de voorgestelde accijnsverhogingen, beperkte reclamemogelijkheden en algemene anti-rookwetgeving smoren iedere gedachte aan expansie. Daar komt nog bij dat de technologische vooruitgang het mogelijk heeft gemaakt om met minder machines, minder mensen en minder bedrijfsruimten hetzelfde volume te produceren. Niets lag daarom meer voor de hand dan concentratie van de produktie, vond men in Groot-Brittannie.

De fabriek in Amsterdam bedient de Nederlandse markt met lokale merken als Gladstone, Mantano en Belinda, produkten die steeds meer terrein verliezen aan de internationals Marlboro, Camel en BAT's eigen Benson & Hedges. Aan de Amsterdamse Deccaweg wordt bovendien alleen maar gerold en verpakt, de voorbewerking van tabak gebeurt in Brussel.

Overheveling van de produkten naar Brussel, waar toch al voor de Nederlandse markt wordt geproduceerd, zou het concern tien miljoen gulden besparen, aldus becijferde directeur F. van Vliet.

Sinds de aankondiging van de voorgenomen sluiting eind 1989 bestoken directie en ondernemingsraad elkaar met rapporten waarin de toekomstmogelijkheden van de fabriek worden belicht. Vorig jaar werd adviesbureau Arthur D. Little verzocht helderheid te verschaffen over het potentieel van de Amsterdamse fabriek. Het bureau concludeerde vorige week dat overheveling van de produktie naar Brussel financieel gunstiger is dan concentratie van de machines in Amsterdam.

De OR vecht die eindconclusie aan en is van mening dat het onderzoeksrapport is gebaseerd op foutieve berekeningen. Zo zou de Amsterdamse vestiging volgens het adviesbureau in 1995 21 miljoen gulden verlies lijden. Volgens de ondernemingsraad zou bij juiste berekeningen het bedrijf een winst van 54 miljoen laten zien. De raad van commissarissen heeft vorige week laten weten dat de kansen uiterst gering zijn dat de eerder afgegeven instemming met de sluiting in Amsterdam zal worden herzien. De commissarisen vergaderen weer over de zaak op op 9 april, nadat er extra informatie is ingewonnen.